Zijn naam was Renée

Marthe Robin z.g.


Het is inmiddels zo’n dertig jaar geleden, maar wanneer ik mijn ogen sluit, ben ik er zo weer terug. Het is halverwege de jaren negentig. De wereld haastte zich toen al voort, maar in het glooiende landschap van de Franse Drôme, in Châteauneuf-de-Galaure, leek de tijd stil te hebben gestaan. Er hing een lichte, bijna tastbare vrede over het terrein van de Foyer de Charité — een geur van droog gras, opgewarmde Franse aarde, de scherpe geur van lavendel en de subtiele sporen van oude stenen en houten kerkbanken.

Ik kwam er niet als een klassieke retraiteganger die met een boekje in de schaduw gaat zitten. Nee, door een wonderlijke en gelukkige speling van het lot werd ik ingedeeld om een week lang mee te werken in de tuinen. De reden voor mijn plaatsing bij de vaste tuinman was even eenvoudig als praktisch: hij had vroeger op school Engels geleerd. Dat was mijn grote geluk.

Zijn naam was Renée.

Renée was een man van het land en van het gebed — twee zaken die bij hem zo naadloos in elkaar overvloeiden dat je het onderscheid niet meer kon maken. Hij was al op leeftijd, doorgewinterd en getekend door een leven van toegewijde arbeid. Van ’s morgens vroeg, wanneer de ochtenddauw nog als een zilveren deken over de velden lag en de lucht frissig en zuiver proefde, tot ’s avonds laat wanneer de krekels hun concert begonnen en de zon een warme, oranje gloed over de heuvels wierp: Renée was in de tuin. Bukkend tussen de groenten, snoeiend aan de struiken, met zijn eeltige handen diep in de zwarte grond.

Onze verplaatsingen over het terrein en naar de nabijgelegen akkers gebeurden in Renée’s trots: een stokoude, vaalblauwe Citroën 2CV. Dat legendarische Franse ‘Eendje’ had zijn beste tijd al lang gehad. Het motortje pruttelde en grolde gemoedelijk, maar sneller dan 70 kilometer per uur ging het wagentje met geen mogelijkheid meer. Maar haast bestond niet in Renée’s woordenboek.

Sterker nog: zodra we instapten en de motor tot leven sputterde, drukte hij mij de sleutels in handen en klom hij aan de passagierszijde in de deinzende stoel. Renée liet mij rijden. Niet omdat hij lui was, maar om een heel eigen, heilige reden: zo had hij zijn handen vrij om te bidden. Terwijl ik achter het grote, dunne stuur zat en de 2CV stuurde over de smalle, hobbelige Franse binnenwegen, haalde Renée zijn rozenkrans tevoorschijn. Het zachte geklik van de kralen tussen zijn vingers en het prevelen van zijn gebeden mengden zich met het vertrouwde, ratelende geluid van de motor en de geur van warme benzine en oude bekleding. Ik stuurde, hij bad. Het was een stil, onuitgesproken verbond tussen de bestuurder en de biddende mens naast hem.

Tussen het zware werk door — het spitten, wieden en sjouwen — toonde Renée zijn warme, diepe vriendelijkheid. Hij begreep dat deze plek een bijzonder geheim herbergde. Op een onbewaakt moment tussen de werkzaamheden door nam hij me mee naar La Plaine, het eenvoudige ouderlijke huisje waar Marthe Robin al die tientallen jaren in stilte, duister en gebed had geleefd. De atmosfeer rondom dat kleine huisje was doordrenkt van een serene rust. Dat deze eenvoudige tuinman de tijd nam om mij bij de hand te nemen en mij binnen te leiden in het spirituele hart van die plek, raakte me diep.

Door dat dagelijkse werk was ik voor één week geen vreemdeling of voorbijganger meer; ik was vrijwilliger, opgenomen in de schoot van de Foyer. En zo veranderde alles. Je loopt niet meer alleen over de grindpaden, maar je stapt de ruimtes binnen waar de buitenwereld normaal geen zicht op heeft.

Ik herinner me de geur van de schuur, waar het tuingereedschap hing naast de kisten met vers geoogste gewassen. Ik herinner me de grote, warme keuken, waar de stoom opsteeg uit de kookpotten en de geur van verse soep, gebakken brood en hartige Franse streekgerechten je tegemoet kwam. Daar, tussen het schillen van de aardappels en het afwassen van de grote schalen, ontmoette je de lekenleden. Bij de maaltijden zat je aan dezelfde lange tafels als de bewoners en de priesters. Er werd gelachen, gepraat en gedeeld in een sfeer van absolute eenvoud.

En als het werk gedaan was, vloeide de fysieke arbeid van de dag vanzelf over in het geestelijke ritme. In de koele, stilaandoenende kapel kwamen we samen voor het brevier, het gezamenlijk bidden van de rozenkrans en de viering van de Heilige Mis. De geur van bijenwas op de houten banken, het schemerlicht door de ramen en de gezangen die door de ruimte zweefden, brachten een vrede die alle verstand te boven ging.

Het was in die week, daar in de Drôme dertig jaar geleden, dat ik ervoer wat het betekent om kind aan huis te zijn in een geestelijke familie. Geen prestatiedrang, geen uiterlijk vertoon, maar een eeuwenoud ritme van ora et labora — bidden en werken — gedragen door de eenvoud van een biddende man in een rammelende 2CV en de onvoorwaardelijke gastvrijheid van een gemeenschap die haar deuren wijd openzette

Pastoor Geudens, Smakt, 3-11-2026

Onbekend's avatar

Auteur: Beheerder Website

Beheerder van meerdere websites