RAFAËL EN DE ENGELEN… |
|||||
|
Auteur: Beheerder Website
Dr. A.A.A. Terruwe – Biografisch Woordenboek
Anna Terruwe
Anna (roepnaam Anny) Terruwe groeide op en ging naar school in Vierlingsbeek en in Deurne, waar het gezin in 1921 naartoe verhuisde. Haar vader was koopman, haar moeder was als vroedvrouw in dienst van de gemeente en zorgde voor een vast inkomen. Beiden waren zeer standsbewust en hielden zich afzijdig van de dorpsgemeenschap. Na haar eindexamen gymnasium B aan het Catherinalyceum in Eindhoven ging Anny in 1930 medicijnen studeren in Utrecht. Ze was actief in de katholieke studentenvereniging Veritas, waarvan twee jaar als praeses van de meisjesstudentenclub. Daarnaast volgde Anny, zoals andere katholieke studenten, colleges filosofie, onder andere over het thomisme bij de toen bekende dominicaan mag. A.C. Doodkorte. Het thomisme of neothomisme, de eind 19de eeuw ontstane interpretatie van het gedachtegoed van de invloedrijke middeleeuwse denker Thomas van Aquino, was in die tijd de gezaghebbende leer in de katholieke kerk.
In deze tijd moet Anny Terruwe ook in contact zijn gekomen met de eveneens in katholieke kring landelijk bekende Nijmeegse redemptorist, jurist en moraaltheoloog prof.mr. Willem Duynstee (1886-1968) – raadsman van vooral jonge katholieke intellectuelen. Hoogstwaarschijnlijk sprak ze met hem over haar toekomst en haar religieuze roeping. Want in overleg met hem trad ze op 28 februari 1937, 25 jaar oud, enkele maanden voor haar afstuderen in bij de clarissen-capucinessen in Duivendrecht, een beschouwende orde. Al snel, precies twee maanden later, verliet ze, eveneens op advies van Duynstee, weer het klooster. Haar ouders hadden er herhaald op aangedrongen dat ze eerst haar studie zou afmaken alvorens een definitieve keuze voor haar roeping te maken. In 1938 deed ze alsnog haar artsexamen.
Ze koos er nu voor binnen de geneeskunde actief te blijven en zich te richten op de psychiatrie. Ze kon echter niet meteen met de opleiding beginnen en werkte daarom, ook al vanwege een tekort aan chirurgen door de mobilisatie, eerst een half jaar als assistent op de afdeling chirurgie van het ziekenhuis St. Annadal in Maastricht. In juni 1939 werd ze benoemd tot assistent in de psychiatrische inrichting ‘Voorburg’ in Vught, die werd geleid door de psychiater dr. G.B.J.A. Janssens. Daar zou ze ruim vier jaar werkzaam blijven. Per 1 september 1943 kreeg ze op eigen verzoek ontslag en werd benoemd tot tweede assistent van de zenuwarts prof.dr. J.J.G. Prick, hoofd van het ‘Zenuwpaviljoen’, de psychiatrisch-neurologische kliniek van het St. Canisiusziekenhuis in Nijmegen. Ze voltooide hier haar specialisatie en bleef tot 1 september 1945 in dienst. Vermeldenswaard is dat ze na het bombardement op Nijmegen van februari 1944 bijsprong op de chirurgie-afdeling.
In 1945 werd Anna Terruwe ingeschreven in het specialistenregister en begon ze een eigen praktijk als zenuwarts voor uitsluitend psychotherapie, eerst aan de Berg en Dalseweg en anderhalf jaar later aan de Vossenlaan 1 in Nijmegen. Daar zou ze tot 1982 blijven wonen en werken, samen met haar huishoudster, die tevoren bij haar ouders in Deurne in dienst was geweest. Anna Terruwe was, toen ze haar praktijk begon, de eerste vrouwelijke katholieke zenuwarts in Nederland. Die pioniersrol was zo moeilijk dat ze erover dacht “maar liever stoepen te gaan schrobben”. Ze was zeer dankbaar voor de steun met woord en daad, die ze kreeg van Duynstee, die, naar ze later opmerkte, haar voor de psychiatrie had behouden. Duynstee was ook binnen de katholieke psychiatrie een invloedrijk man. In 1935 had hij indruk gemaakt met een lezing ‘De verdringingstheorie, beoordeeld van thomistisch standpunt’, waarin hij de psycho-analyse van Sigmund Freud met de moraalleer en het neothomistisch gedachtegoed van de katholieke kerk verbond. De theorie van Freud werd door de kerk afgewezen, omdat in de traditionele katholieke visie een neurose niet beschouwd werd als het gevolg van verdringing van gevoelens, maar eerder werd gezien als het gevolg van een ontsporing op het gebied van geloof en moraal, vooral de seksuele moraal. Seksueel afwijkend gedrag van de neuroticus werd als zondig aangemerkt. Volgens de psychoanalytici daarentegen kenmerken de dwangmatige denkbeelden en handelingen van de neuroticus zich juist door de afwezigheid van geestelijke vrijheid. Bij het ontbreken daarvan is volgens hen dan ook een moreel oordeel niet op zijn plaats, maar moet eerst de gezondheid hersteld worden. Duynstee erkende wel het optreden van verdringing, maar wees de seksuele oorsprong ervan af.
Als gelovig katholiek en als psychoanalytisch geschoold arts voelde Terruwe zich aangesproken door deze poging tot synthese van Duynstee en nam zij het op zich om de visies van Freud en de kerk ook medischwetenschappelijk en praktisch-therapeutisch met elkaar te verbinden. In nauwe samenwerking met Duynstee schreef ze in 1949 een proefschrift, gebaseerd op diens inzichten, onder de titel: De neurose in het licht der rationeele psychologie. De katholieke Leidse hoogleraar psychiatrie prof.dr. E.A.D.E. Carp was bereid om als promotor op te treden. Tevoren had ze haar opleider in Utrecht prof.dr. H.C. Rümke benaderd, maar hij achtte zich inzake het thomisme niet deskundig. Terruwe hoopte met haar studie een psychotherapie aan te bieden, die én recht deed aan Freud én paste in het mensbeeld en de leer van de katholieke kerk. Daarbij was haar uitgangspunt de gevolgen van de verdringing bij haar cliënten niet te verbieden of te veroordelen, maar te dulden en ze langs die weg door hen te laten integreren in hun leven.
Haar proefschrift kreeg veel aandacht. De reacties van collega-wetenschappers waren deels positief, deels negatief. In kerkelijke kringen werd echter zeer verontwaardigd gereageerd. Haar opvattingen over het gebrek aan geestelijke vrijheid van de neuroticus werden gezien als een vrijbrief voor het goedkeuren van overtredingen van de seksuele moraal. Op de achtergrond speelde daarbij een competentiekwestie, en wel de vraag wie bevoegd waren een oordeel te geven over die geestelijke onvrijheid en daarmee over het moreel ontoerekeningsvatbaar zijn van neurotische cliënten: waren het de therapeuten of waren het de zielzorgers? Omdat Terruwe als katholieke arts onder haar cliënten veel priesters, kloosterlingen en seminaristen had, die gebukt gingen onder psychische problemen, samenhangend met hun onderdrukte seksualiteit, kwam spoedig een stroom van geruchten op gang over seksuele adviezen die zij hun in strijd met de kerkelijke regels zou geven. Al in 1950 werd van kerkelijke zijde op last van de bisschoppen het eerste onderzoek hiernaar ingesteld. Zij en haar raadsman Duynstee werden toen nog vrijgepleit. Terruwe zelf werd in het rapport ‘rechtzinnig in de leer’ en ‘voorzichtig in de practijk’ genoemd.
De geruchten en verdachtmakingen bleven echter doorgaan. In 1954-1955 volgde een nieuw kerkelijk onderzoek, nu in opdracht van Rome zelf. Het resulteerde in 1956 in een niet ondertekend stuk ‘Quaedam admonitiones’, waarin tegen de ‘verderfelijke’ opvattingen van Terruwe en Duynstee werd gewaarschuwd. Ook werden alle kerkelijke leiders in Nederland in brieven tegen hen gewaarschuwd en werd het hun verboden om priesters, seminaristen en kloosterlingen die onder hun gezag stonden, naar een psychiater of psychotherapeut van het andere geslacht te sturen. Terruwe werd niet met name genoemd, maar het was zonneklaar dat zij werd bedoeld. Duynstee, die juist met emeritaat was gegaan, werd door zijn oversten naar Rome ‘verbannen’. Pas in 1960 mocht hij in stilte naar Nederland terugkeren. Hij mocht Terruwe niet meer ontmoeten, maar ze bleven in het geheim contact houden. Terruwe, die zelf niet was gehoord en zich op lasterlijke wijze in haar eer en goede naam zag geschaad, deed verschillende pogingen om eerherstel te krijgen. Uiteindelijk ging ze in 1964 over tot openbaarmaking van de gebeurtenissen in een in zeer beperkte kring verspreid boekje Opening van zaken (in usum privatum). Sindsdien sprak men van de ‘affaireTerruwe’. Een jaar later, in april 1965, werd ze na tussenkomst van kardinaal Alfrink door paus Paulus VI officieel gerehabiliteerd. In het Vaticaan werd de eerst zo verguisde psychiater nu spoedig een graag geziene gast. Paus Paulus las een in het Frans vertaald boekje van haar en er kwam een direct contact tot stand. Ze kreeg in 1969 een ‘onbeperkte’ audiëntie bij hem en bezocht hem ook daarna in Rome. Het persoonlijke contact met de paus zal zeker ook verband hebben gehouden met de omstandigheid dat Terruwe zich intussen, evenals overigens Duynstee, had gemanifesteerd als verdedigster van zijn zeer beperkende leer inzake huwelijk, celibaat en geboorteregeling.
De Romeinse perikelen weerhielden Anna Terruwe niet te blijven publiceren en haar onderzoek op het gebied van de neurosen voort te zetten. In 1962 verscheen haar boekje De frustratieneurose. Daarin stelde ze dat mensen door het streven naar zelfbevestiging zo met zichzelf en anderen in de knoop kunnen raken dat een neurotische misvorming van geheel eigen aard optreedt, die volgens haar nog niet eerder was beschreven. Zij noemde deze neurotische misvorming ‘frustratieneurose’. Ook kenmerkend voor dit neurotisch syndroom was volgens haar dat het, anders dan de door Freud beschreven neurosen, niet veroorzaakt werd door verdringing. Voor de therapie was haar hypothese belangrijk dat mensen van jongs af aan bevestiging nodig hebben om psychisch en geestelijk tot een volwaardig mens te kunnen uitgroeien. Bevestiging is het gebeuren waarbij mensen aan elkaar waardegevoel schenken en van elkaar waardegevoel ontvangen. Deze inzichten werden het uitgangspunt voor een door haar ontworpen professionele behandelwijze, maar bevestiging was volgens haar ook mogelijk in een persoonlijke relatie van mens tot mens.
Anna Terruwe besefte niet de eerste wetenschapper te zijn, die over het belang van bevestiging sprak. Toch moet het voor haar een grote teleurstelling zijn geweest dat het ziektebeeld van de frustratieneurose door haar vakgenoten in de psychiatrie nooit wetenschappelijk werd erkend. De zenuwarts Marlet verklaart dat vanuit een vermoeden dat de meeste collegae dergelijke patiënten rangschikten in de bredere categorie van lijders aan verwaarlozingsverschijnselen dan wel neurotici. Ook haar eigenzinnige terminologie bevorderde de aanvaarding van haar inzichten niet. Een andere grote tegenslag in deze jaren was het plotselinge overlijden van Duynstee, haar ‘leermeester’, in 1968 in Frankrijk, toen zij samen onderweg waren naar Rome.
Kort daarna begon Terruwe haar ideeën over bevestiging te ontvouwen voor een groot publiek. Ze schreef ruim twintig populariserende boekjes en hield tot op hoge leeftijd honderden lezingen in binnen- en buitenland. Er verschenen ook twee grammofoonplaten met lezingen in 1970 en 1971 en een tiental geluidscassettes in de jaren ’80. Bij haar publieksoptredens cultiveerde ze bewust een aristocratische, ja zelfs majesteitelijke uitstraling. Haar dictie leek op die van koningin Wilhelmina. Haar boekje De frustratieneurose beleefde vele herdrukken tot de zevende druk in 1998. Een internationaal eerbetoon was het eredoctoraat van het katholieke Anna Maria College in Paxton, Massachusetts (VS), dat ze in juni 1974 in het bijzijn van kardinaal Alfrink ontving. Eind jaren ’70 was Anna Terruwe een van Nederlands bekendste psychiaters. Inzake de seksuele moraal en de leer van de kerk bleef ze streng. Mensen die hiermee problemen hadden, leden volgens haar aan een tekort aan bevestiging en een gebrek aan geestelijke volwassenheid. Haar behoudende opvattingen werden echter minder gewaardeerd, zoals blijkt uit het liedje over homoseksualiteit uit de musical Foxtrot (1977) ‘Wat ik nou toch heb gelezen’. Terruwe wordt niet met name genoemd, maar iedereen wist dat zij wordt bedoeld met de genoemde ‘Nijmeegse Psychiater’.
Ze werkte haar bevestigingsleer intussen verder uit tot ook een maatschappelijke leer. Ze kwam tot het inzicht dat ook een menselijke samenleving als geheel fundamenteel scheef kan groeien door het streven naar zelfbevestiging en dat deze zelfgerichtheid ten koste gaat van andere mensen en samenlevingen. Een bijzondere doelgroep vormden voor haar de maatschappelijk hooggeplaatsten. In 1978, 1979 en 1983 vonden op uitnodiging van de familie Van Heek een drietal bijeenkomsten met bekende politici plaats op hun kasteeel Bergh te ’s-Heerenbergh. In 1981 werd de Dr. Anna Terruwe Stichting opgericht met het doel haar gedachtegoed te behoeden en te bewaren en de verspreiding van de leer der bevestiging, zo ruim mogelijk, te bevorderen. De Stichting is nog altijd actief.
In 1982 keerde Anna Terruwe, nadat ze 70 was geworden, terug naar Deurne en vestigde ze zich samen met haar huishoudster in haar ouderlijk huis, dat ze altijd had aangehouden en waar ze in de weekends verbleef. Ze ging daar verder met de verbreiding van haar leer en ontving onder anderen de Belgische kardinaal Danneels en prominente politici. Ze ondersteunde actief de Dr. Anna Terruwe Stichting. In 1984 werd een zusterstichting in België opgericht. In 1985 volgde de opening van een Dr. Anna Terruwe Centrum in Deurne en in 1987 van een vergelijkbaar centrum in Gent. Een eigen tijdschrift met de titel ABRI, Tijdschrift voor bevestigend samenleven ging vanaf 1984 verschijnen. Haar vielen in deze laatste levensfase opnieuw eerbewijzen ten deel. In 1986 werd ze bij haar 75ste verjaardag koninklijk onderscheiden en benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Ook verscheen in 1987 een vriendenboek Bevestigend samenleven. Terruwes laatste levensjaren waren moeilijk. Haar intussen ook bejaarde huishoudster, die haar altijd trouw had gediend, overleed na een langdurige ziekte. Ook voor haar zelf gingen de jaren tellen. Ze werd moeilijk ter been en daardoor minder mobiel en sloot zich steeds meer van de buitenwereld af. In 2004 overleed ze op 92-jarige leeftijd in Deurne.
Anna Terruwe heeft een zeer arbeidzaam leven geleid. Ze oefende ruim 50 jaar haar praktijk uit. Naar ze zelf in 1994 zei, ontving ze in totaal circa 17.000 mensen. Over haar eigen persoon was ze zeer gesloten. Ze schermde haar privéleven af. Over haar liefhebberijen is weinig bekend. Ze speelde piano, schreef gedichten en fietste graag en veel. Ze was een charismatische vrouw en moet een zeer empathische, zeer bekwame therapeute zijn geweest. Haar patiënten noemden haar hartelijk, warm en menselijk. Sommigen van hen volgde ze jarenlang. Omgekeerd werd ze door sommigen van hen verafgood. Daarnaast wekte haar moed om tegen heersende opvattingen in haar eigen weg te gaan vooral in de jaren ’50 en ’60 ook bewondering. Vanaf de jaren ’70 vereenzelvigde ze zich steeds meer met haar bevestigingsleer, volgens Marlet haar belangrijkste bijdrage op wetenschappelijk gebied en het meest waardevolle deel van haar totale werk als psychotherapeute. De verbreiding daarvan werd nu haar totale levensvervulling. Ze had steeds sterker het besef een taak te hebben, waarvan de betekenis boven haar uitging. Ze was er heilig van overtuigd dat ze op dat terrein een roeping, een missie had en dat haar gedachtegoed eens zou doorbreken. Ze legde, naarmate de jaren vorderden, steeds sterker de nadruk op het belang hierbij van de weerhoudende liefde. Deze liefde, die was geënt op de attitude die een psychiater beroepshalve ten opzichte van een cliënt dient te hebben, groeide bij haar uit tot een ideaal, dat elk mens zou moeten nastreven, maar feitelijk onbereikbaar was. Daarmee ging ze, zoals Winkeler terecht opmerkt, net een stap te ver. Voor kritiek op haar leer was Terruwe evenwel niet ontvankelijk. Discussies hierover ging ze uit de weg. De Nijmeegse theoloog Grossouw typeerde al in 1981 deze late Terruwe treffend als een christelijke goeroe.
Haar grote religiositeit zal aan deze zendingsdrang niet vreemd zijn geweest. Anna Terruwe was een diepgelovig mens. Haar verblijf in het klooster was dan wel kort, maar feitelijk is ze een kloosterlinge in de wereld gebleven. Volgens Marlet is Terruwe “meer een kind van haar tijd” gebleven dan men in 1949 kon vermoeden. Daarbij kan de invloed die de 25 jaar oudere Duynstee op haar had, moeilijk worden overschat. Mogelijk had die blijvende gehechtheid aan haar achtergrond, haar opvoeding en haar vorming ook te maken met haar afkomst en persoon. Evenals haar ouders was Anna Terruwe zeer standsbewust in al haar contacten. Ze was voorts zeer eigenzinnig en haar vermogen tot zelfkritiek was niet sterk ontwikkeld. Dat ze daardoor later haar eigen invloed ging overschatten, is tragisch te noemen, omdat ze tegelijkertijd een ongewoon begaafde vrouw was, die voor veel mensen veel heeft betekend. Ook door haar uiterst behoudende opvattingen over de seksuele moraal, haar traditionele opvattingen over de katholieke kerk en haar leergezag – in weerwil van de eigen ervaringen hiermee – en haar eigenzinnig taalgebruik heeft ze later steeds meer mensen van zich vervreemd, die zich wel door haar bevestigingstheorie voelden aangesproken. Dat is jammer, want de kern hiervan, de waarde van bevestiging in alle menselijke betrekkingen, blijft onverminderd gelden.
Bron: http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/6_Anna_Terruwe
Pastoor Andy Penne schrijft over de Missie
PATER GREGOOR EN DE MISSIE… |
|||||
|
12-year-old speaks out on the issue of abortion
12-year-old speaks out on the issue of abortion
Door FyreFoxXP, http://www.youtube.com/user/FyreFoxXP
Anyone looking for scientific and philosophical evidence regarding the case for life should refer to: http://www.caseforlife.com/evidence.asp
Source: http://www.youtube.com/user/scabious2#p/a/f/1/wOR1wUqvJS4
Lintje voor kerkmeester Jo Bloemen parochie H. Hart van Jezus in Nieuwenhagerheide Landgraaf 2011
Pro Ecclesia et Pontifice; een pauselijke onderscheiding voor bewezen diensten aan de Rooms-Katholieke Kerk werd verleend aan
Jo Bloemen, kerkmeester van de H.Hartparochie en de H. Familieparochie (Landgraaf)
Scriptie Dr. Anna Terruwe MD Dr. Conrad Baars MD
Scriptie van Sjaak van de Berkt; “Relatie als instrument van genezing”,
literatuurstudie over het concept van de bevestigende, weerhoudende liefde van Anna Terruwe,
Kerkrade, jan. 2000.
In deze studie wordt ingegaan op de bevestigingsleer van de zenuwarts Dr. Anna Terruwe [en Conrad Baars MD, red.] in het perspectief van het theologisch-personalistisch denken van Maurice Zundel osb. De weerhoudende liefde werkt genezend naar de ander toe, die nood ervaart, door middel van een (plaatsvervangende) affectieve band die ontstaan kan. Het is de positieve bevestiging die relationeel ervaarbaar wordt. Relatie kan dan een instrument van genezing zijn of worden..
Terug naar de basis en bevestigingsleer
Filosofisch gekleurde zoektocht naar het belang van liefde als basis voor de creatieve therapie,
Opleiding beeldende creatieve therapie aan de HAN, Nijmegen, augustus 2010, Elvira Kok, blz. 18-19:
Anna Terruwe, Bevestigingsleer
door Elvira Kok
De bevestigingsleer is een theorie die ontwikkeld is door psychiater Anna Terruwe. Volgens Dr. Terruwe hebben mensen (als sociale wezens) vanaf het begin bevestiging en onvoorwaardelijke liefde nodig om tot een volwaardig mens te kunnen uitgroeien op alle ontwikkelingsgebieden. Als dit ontbreekt leidt dit volgens haar tot, zoals zij dit noemt, frustratieneurose en ‘zelfbevestigend’ compensatiegedrag.
Een mogelijkheid tot herstel ziet zij in het ‘(her)vinden van de eigenwaarde door wederzijdse bevestiging’. ‘Door het goede in elkaar te zien en elkaar hierin te bevestigen, ontstaat vertrouwen en het vermogen om liefde te geven’.
Later kwam ze tot het besef dat ook een gehele samenleving in de basis kan scheefgroeien door het streven naar zelfbevestiging. (zie ook: De angst voor vrijheid van Erich Fromm) Volgens mij is het zonder de ‘zelfbevestiging’ waar Dr. Terruwe van spreekt ontzettend moeilijk, zo niet onmogelijk om stelling te nemen ten opzichte van de wereld om je heen. Als de eigen persoonlijkheid niet genoeg bevestigd is dan zal het lastig zijn om ergens voor te gaan staan en daarin standvastig te zijn. Als je nog te zeer de bevestiging van anderen nodig hebt dan is het logisch om met alle winden mee te waaien om geaccepteerd en gewaardeerd te worden.
In dit verband draagt bevestiging bij aan het ontwikkelen van een stabiele persoonlijkheid en het ‘adequaat kunnen reageren’ op alles wat er is en alles wat zich voordoet. Bovendien is het makkelijker te ontwikkelen naar mate de persoonlijkheid stabieler is. ‘Bevestiging is in deze zin volgens mij de basis van een gezonde persoonlijkheid en zou dan logischerwijs ook de basis moeten zijn van een goede therapie.
Liefde en bevestiging (zoals Dr. Terruwe dit begrip ziet) komen volgens mij vrijwel op hetzelfde neer. Hierin zie ik mijn stelling bevestigd dat liefde de basis zou moeten zijn van een goede therapie.
Bron: http://www.surfsharekit.nl:8080/get/smpid:3659/DS1/ ; blz. 18-19.
Kerkklok 2011_09
De kerkklok van de maand september kunt u vinden op:
Lintje voor twee kerkmeesters in Landgraaf
Uitzending Lintjesregen Landgraaf 2011 Omroep Landgraaf
Filmpje Reclame over Jezus
Uitzending Samenloop voor Hoop Landgraaf 2011
Uitzending Samenloop voor Hoop Landgraaf 2011
Visioenen van Anna Katharina Emmerich over de Kerk
Ineenstorting en herstel van de Kerk
Anna Katerina Emmerick, Duitsland, 1774-1824
1. Visioenen van Anna Katharina Emmerich over de Kerk (uittreksels). Bron: Visioenen van Anna Katharina Emmerick over de Kerk. Uitgever: Zr. A. C. Emmerick Stichting, Ten Hout 19, 5674 NZ Nuenen (Nederwetten), Nederland.
2. « Ik zag de kerk van Sint Pieter en een enorm aantal mensen, die bezig waren haar te vernielen, maar ik zag ook anderen bezig met herstelwerkzaamheden. Rijen werklieden, bezig met deze dubbele taak, strekten zich uit over de hele wereld. De slopers sloegen hele stukken los; het waren in het bijzonder sekteleden in groten getale en afvalligen. (…) Ik zag met afschuw, dat er ook katholieke priesters onder waren. (…) Zij vernielden wat heilig en groots was, en wat zij opbouwden was niets anders dan hol, leeg en overbodig. Zij braken het altaar af en van de stenen maakten zij een bordes bij de ingang. (…) »
De verduistering van de Kerk
3. « Ik zag de Kerk op aarde geheel verduisterd en verlaten. Gij, priesters, gij verroert u niet. Gij slaapt en de schaapstal brandt aan alle kanten. Gij doet niets. O, wat zult gij daar eenmaal om wenen. Al had gij maar één Pater Noster gebeden. Ik zie zoveel verraders, zij kunnen niet dulden dat men zegt: “Het gaat verkeerd”. Alles is goed in hun ogen, als zij door de wereld maar geëerd worden. Ik zag de gebreken en de decadentie van het priesterdom, alsook haar oorzaken. Ik zag de kastijdingen, die in aantocht zijn. De bedienaren van de Kerk zijn toch zo laf. Zij maken geen gebruik meer van de kracht, die zij bezitten door hun priesterschap. »
4. « Ach, als ooit de zielen zouden opeisen, wat hun verschuldigd is door de geestelijkheid, die hun zoveel verliezen berokkent door haar nalatigheid, zorgeloosheid en onverschilligheid, wat zal dat voor die nalatigen iets verschrikkelijks worden. Zij zullen rekenschap moeten afleggen voor alle liefde, alle vertroostingen, alle aansporingen, alle onderrichtingen omtrent de godsdienstige verplichtingen, die zij ons niet geven; voor alle zegeningen die zij niet uitspreken, ofschoon de kracht van Jezus’ hand hun is gegeven, voor alles wat zij nalaten te doen, zoals Jezus het gedaan heeft. Ik zag relikwieën wegwerpen en andere dingen van dien aard. Ik zag hoe aan oneindig veel mensen van goede wil de toegang tot de genadebronnen van het Hart van Jezus werd afgesloten door de afschaffing van devoties en door sluiting en profanatie van de kerken. »
5. « Ik kreeg een visioen wat betreft de ontelbare fouten van de herders en het nalaten van al hun verplichtingen jegens hun kudde. Ik zag vele goede en vrome bisschoppen, maar zij waren slap en zwak en het slechtste deel van hen kreeg vaak de overhand. God houdt terdege rekening met de decreten, bevelen en verboden van het hoofd van de Heilige Kerk, en zij blijven bij Hem van kracht, ook al maken de mensen er zich niet ongerust over, of loochenen zij ze, of drijven er de spot mee. »
6. « Ik zag al deze geestelijken omgeven door een zware mist, die hen als door een muur afscheidde van de Kerk. Ik zag de lauwheid van de plaatselijke geestelijken toenemen en ik zag een grote duisternis ontstaan. Toen verbreidde zich het visioen naar alle kanten. Overal zag ik de katholieke gemeenschappen onderdrukt worden, gekweld, in het nauw gedreven, en beroofd van hun vrijheid. Ik zag dat veel kerken gesloten werden. Ik zag overal veel narigheid. Ik zag oorlogen en bloedvergieten. Maar dit zal niet lang duren. »
7. « Ik zag de kerk der afvalligen geweldig toenemen. Ik zag de duisternis die er van uitging zich in de hele wereld verspreiden, en ik zag veel mensen de wettige Kerk verlaten, en zich tot de andere wenden. Daar is alles veel mooier, veel natuurlijker en beter geordend. Ik zag betreurenswaardige dingen. Men speelde, dronk, kletste, men maakte vrouwen het hof in die kerk, in één woord, men bedreef er allerlei soorten gruwelen. »
8. « De priesters lieten alles toe en lazen de Heilige Mis met veel oneerbiedigheid. Ik zag er maar weinigen, die nog de ware godsvrucht hadden, en de zaken gezond beoordeelden. Dat alles bedroefde mij ten zeerste. Toen bond mijn hemelse Bruidegom mij bij het middel vast, zoals Hij zelf aan de geselkolom werd vastgebonden, en zei: “Zo zal de Kerk nog gebonden worden, zo zal zij worden vastgeklemd, totdat zij zich weer kan oprichten”. Ik zag in de toekomst de godsdienst diep wegzinken. Alleen in enkele haardsteden en in enkele gezinnen hield zij stand. Die heeft God dan ook gespaard voor de rampen van de oorlog. »
De goede Kerk
9. « Ik zag in de nabijheid een andere Kerk, waar alles licht was, en die voorzien was van allerlei genaden van boven. Ik zag er Engelen opstijgen en nederdalen, ik zag er “leven en groei”, maar er was ook “lauwheid en verstrooidheid.” Ik zag ook geestelijken hout aandragen naar de treden van de preekstoel. Zij staken vuur aan en bliezen uit alle macht, maar dat alles veroorzaakte alleen maar rook en een afschuwelijke damp. Toen maakten zij een gat in het plafond met een pijp er op, maar de rook wilde niet omhoog gaan en alles bleef in duisternis gehuld, een duisternis, waarin men stikte. »
10. « Ik zag ver weg op het achterplan de troon van een woest volk, gewapend met speren, en een gestalte, die lachte, en zei: “Bouw maar zo stevig als je wilt, wij gooien haar wel omver”. (Moskou ? De Islam ?) Ik zag hoe men zo bekwaam (te Rome) de godsdienst ondermijnde en verstikte, dat er nauwelijks een honderd priesters overbleven, die zich niet lieten meeslepen. Hoe dat kwam weet ik niet, maar ik zag de mist en de duisternis meer en meer toenemen. »
11. « (Naast de kerk der afvalligen ziet zij ook de ware Kerk). “Ik zag in de nabijheid een andere Kerk, waar alles licht was en die voorzien was van allerlei genaden van boven. Ik zag er Engelen opstijgen en nederdalen, ik zag er leven en groei” (niet zozeer in kwantiteit, maar in kwaliteit, de goeden worden beter). “Maar er was ook lauwheid en verstrooidheid,” (ook daar, de verleiding van de kerk der afvalligen steekt ook sommigen van de goeden aan.) »
Het modernisme in de Kerk
12. « Ik zag op een groene weide (waar de schaapjes van de Kerk grazen) veel mensen, waaronder “geleerden”, zich terzijde bijeengroeperen, en er verrees een “nieuwe kerk”, waarin zij zich verzamelden. Die kerk was rond met een grijze (niet meer lichtgevende) koepel (het was niet meer de kruiskerk), en zoveel mensen stroomden daar samen, dat ik niet begreep hoe zij er allemaal in konden. (De ronde vorm betekent het verwerpen van de traditionele Kerk. In onze dagen beleven wij een herleving van het modernisme. De kudde wordt naar vergiftigde weidegrond geleid.) »
13. « Ik zag meerdere groepen welmenende mensen naar een kant van de weide snellen, waar nog groen gras was, en licht. Ik weet niet, wat er van de mensen terechtkwam, die de (valse) kerk waren binnengegaan. Het leek wel, of zij de mensen “verslond”. Die kerk werd steeds zwarter en leek helemaal op steenkool. Daarna ging ik, onder leiding van drie Engelen, naar een rijk bloeiende plek (dus waar de ware leer nog niet besmet was), door muren omgeven (door God beschermd), ongeveer even groot als het kerkhof hier voor de deur (deze kleine ingesloten ruimte schijnt opnieuw de kleine kern aan te duiden die trouw is gebleven). »
De gemeenschap der antikerkelijken
14. « Zij willen één enkel lichaam zijn, maar in iets anders dan in de Heer. Er heeft zich een lichaam gevormd, een gemeenschap buiten het lichaam van Jezus, dat de Kerk is: een valse kerk, zonder Verlosser, waarvan het mysterie is, dat zij geen mysterie bezit. Ik kan niet zeggen hoezeer alles, wat zij doen afschuwelijk, verderfelijk en ijdel is. Bijna niemand hunner kent de duisternis te midden waarvan hij werkt. Schijnbaar is alles zuiver, in werkelijkheid is er slechts leegte. (Door hun opening naar de wereld is hun invloed in de wereld ten einde. Geloven is niet mogelijk zonder nederigheid, maar in de “wetenschappelijke” kerk heerst zelfgenoegzaamheid, en een gevoel van superioriteit.) »
15. « Zij zit vol hoogmoed en verwaandheid en daardoor vernielt zij alles en voert tot het kwade ondanks de mooie schijn. Het gevaar schuilt in haar schijnbare onschuld. Zij werken en handelen buiten Christus om. Door Hem alleen wordt alle leven geheiligd, en buiten Hem wordt iedere gedachte en iedere handeling het rijk van de dood en van de duivel. »
16. « Zij bouwden een “grote kerk”, vreemd en buitensporig. Iedereen moest er binnengaan en er dezelfde rechten bezitten: lutheranen, katholieken, en sekten van allerlei aard. Het moest een ware “gemeenschap der ontheiligden” zijn, waar slechts één herder en één kudde zou zijn. Er moest ook een ‘paus’ zijn, maar die mocht niets bezitten en hij zou een salaris ontvangen. Alles was van tevoren voorbereid, en heel wat zaken waren al klaar. Maar op de plaats van het altaar was er alleen maar de “gruwel der verwoesting”. Ik zag alles wat overhelt naar het protestantisme steeds meer de overhand krijgen en ik zag de [katholieke] godsdienst steeds meer in verval raken. Er waren in Rome, zelfs onder de prelaten, heel wat personen met weinig katholieke gevoelens, die met succes aan deze zaak werkten (nl. aan de samensmelting der Kerken). »
Het onweer
17. « Ik zag een groot onweer komen vanuit het Noorden. Het naderde in een halve cirkel tot de stad met de hoge toren (Wenen), en het strekte zich ook uit naar het Westen. In de verte zag ik gevechten en boven verscheidene plaatsen strepen bloed aan de hemel, en ik zag dat er voor de Kerk eindeloos ongeluk en grote ellende in aantocht was. Boven die stad (Rome) komen verschrikkelijke dreigingen vanuit het Noorden. De stad zag ik in zulk deplorabele toestand, dat het minste vonkje overal vuur kon verspreiden. Ik zag Sicilië somber, schrikwekkend en verlaten door allen, die konden vluchten. Ik zag de Kerk volkomen geïsoleerd en helemaal verlaten. Alle mensen vluchtten. Overal zie ik ellende, haat, verraad, verlatenheid en volkomen verblinding. »
De anarchie in de Kerk
18. « Ik zie bij allen, zelfs bij de besten onder hen, een vreselijke hoogmoed, maar bij geen enkele van hen nederigheid, eenvoud en gehoorzaamheid. Zij zijn uitermate trots op de afscheiding, waarin zij leven. Zij praten over ‘geloof’, ‘verlichten’, ‘levend christendom’, maar zij verachten en beledigen de Heilige Kerk, waarin alleen het licht en het leven te vinden zijn. Zij plaatsen zich zelf boven iedere macht en iedere kerkelijke hiërarchie, en zij kennen noch de onderwerping, noch de eerbied voor het geestelijk gezag. In hun aanmatiging beweren zij alles beter te begrijpen dan de hoofden van de Kerk en zelfs dan de heilige kerkleraren. »
19. « Die ‘verlichten’. Ik zie ze steeds in een bepaald verband met de komst van de Antichrist-persoon, want ook zij werken door hun gedragingen mee aan de voltooiing van het mysterie van het kwaad. De tijd van de Antichrist-persoon is niet zo nabij als sommigen menen [zei Anna-Katerina vóór 1824]. Hij zal nog voorlopers hebben. Ik heb in twee steden professoren gezien uit wier school, die voorlopers zouden kunnen voortkomen. »



Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.