Al had ik elke fout

Ter ere van Theresia

1. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)

2. Geef me een hart dat brandt, dat verteerd wordt van liefde, een hart tot steun en kracht dat altijd blijft branden, dat altijd mij bemint, tot in mijn zwakheid mij liefheeft, dat steeds over mij waakt, bij dag, bij nacht mij leidt. (bis)

3. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)

4. Al wat wij doen voor U, zelfs de mooiste der daden, is werkelijk wat waard, wanneer het de liefde van uw Hart uit kan stralen. Dus mijn doen en mijn laten, ik leg het in uw hart dat steeds van liefde brandt. (bis)

5. Ach, niemand is in staat heel uw wet na te leven. Maar levend als uw kind, ontvang ik uw zegen en zo ben ik in staat U heel mijn leven te geven. Mijn heiligheid zijt Gij, uw liefde leeft in mij.

6. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)

7. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=EHHJFTOGpLM

Waarom lijden?

De vastentijd is een uitnodiging om na te denken over onszelf en ons eigen bestaan. Vooral ook een stilstaan bij God die ons het leven geschonken heeft. De vragen die het leven oproept, vooral bij ziekte en dood, nodigen ons daartoe steeds weer uit. Ook Jezus werd daarmee geconfronteerd, zo horen we in het Evangelie. De opwekking van Lazarus uit het graf is dan ook meer dan zomaar een gebeuren. Het bereid ons voor op Jezus’ sterven en verrijzen. Hij werd gezonden om ons mensen het leven te geven en wel in overvloed. Dit deed Hij door voor ons te sterven. Ja, Hijzelf is de Verrijzenis en het Leven. De dood kan dit niet meer teniet doen.

Een vraag die ons mensen telkens weer op de lippen ligt is: “waarom toch het lijden?” En hoe we ook zoeken, een antwoord laat zich nauwelijks in woorden vatten. Wel laat Jezus in het evangelie van vandaag zien dat lijden en sterven een betekenis hebben. Ons christelijk geloof laat zien dat lijden ‘n realiteit is ook in het leven van gelovige mensen. En – en nu komt het – als het lijden er toch is, hoe kunnen we dan het meest waardig met dat lijden in ons leven omgaan? Hoe kunnen we dan nog troost vinden, hoe kunnen we zo’n moeilijke situaties uithouden, hoe kunnen we verlichting vinden of brengen?

Met ‘afscheid nemen’ worden we al van jongsafaan geconfronteerd. De pasgeboren baby verlaat de warmte en intimiteit van de moederschoot, het vierjarige kind gaat naar school, weliswaar aan de hand van moeder, maar toch! En als de eerste dag komt dat het kind alléén naar school gaat, dan staat de moeder doodsangsten uit: ‘Hoe zal het gaan?’. Om de angst wat te milderen en het vertrouwen te sterken zal ze misschien een beroep doen op de Engelbewaarder die met haar kind meegaat. Maar ze voelt aan dat het leven gaat veranderen.

Leven is ‘afscheid nemen’ en weer verdergaan; van het begin tot het einde. Zo gaat het wanneer iemand met wie je samengewerkt hebt, plotseling naar elders verhuisd. Zo gaat het wanneer kinderen de lagere school verlaten en naar de middelbare school gaan, wanneer ze gaan trouwen, of wanneer ze het huis uitgaan, wanneer er kleinkinderen komen, wanneer opa of oma sterft, wanneer kinderen volwassen worden, wanneer je eigen vader of moeder sterft, tenslotte wanneer we zelf sterven…

Leven en sterven horen in een vreemde mengeling bij elkaar. Op ieder ogenblik voelen we dat het leven ons kan ontsnappen. We hebben het niet volledig in eigen hand, ook al streven we ernaar de geluksmomenten vast te houden.

Een christen is sterfelijk zoals ieder mens dat is. Het geloof in Christus is voor hem dan ook niet een vrijbrief om van lijden en dood bespaard te blijven. De opwekking van Lazarus is hiervan een teken; een teken van hoop voor ons allemaal; op een leven dat niet wordt teniet gedaan, maar dat nieuw gemaakt wordt.

Rond ziekte en dood biedt het geloof ons troost, ook al blijft het een harde werkelijkheid. Ook Christus is in Zijn menselijke gevoelens ten diepste getroffen door het sterven van Zijn vriend Lazarus en door het grote verdriet van Martha en Maria. Toen Jezus hen zag huilen, en het graf bezocht, doorliep Hem een huivering, zo staat in het Evangelie. Toch is de opwekking van Lazarus niet alleen een menselijk gebaar van medelijden: de dood en de opwekking van Zijn vriend hebben een veel diepere betekenis voor ons allen. Zij verwijzen naar de dood en opstanding van Christus zelf. En wie in Hem gelooft zal eeuwig leven bezitten, ook al is hij gestorven. Zo belooft Gods Woord.

Toen Jezus in Betanië aankwam, was Lazarus al vier dagen dood. Martha beleed haar geloof in de uiteindelijke verrijzenis. Maar zij wist nog niet dat Jezus een gestorvene kon opwekken tot leven. Ja, tot teken voor Zichzelf: de nakende Verrijzenis en het komende eeuwige Leven.

De verrijzenis begint daar wanneer wij geloven in Jezus, de Messias, de Verlosser, de Zoon van God. Dan hebben wij het eeuwige leven reeds in ons. De natuurlijke dood kan dit niet meer teniet doen. Christus is ons leven. De dood heeft geen vat meer op ons als wij leven in Christus. Het sterven is voortaan een mysterievolle overgang naar een ander leven: naar het ware en eeuwige leven bij God. Die overgang geschiedt in de kracht van de heilige Geest. Als we vanuit God durven leven, werkt dezelfde heilige Geest in ons, ook in ons sterven en verrijzen naar God toe…

Als wij leven ‘naar de geest’ en niet ‘naar het vlees’, zoals Paulus ons waarschuwt dan getuigen wij van Christus’ Verrijzenis. Dat is het bewijs van onze toekomstige verrijzenis, in de kracht van God, tot nieuw leven in God; Vader, Zoon en Heilige Geest.

Pastoor Geudens

De Kerk is een bootje

De Kerk is een bootje: “Ik ben geen profeet, maar men zegt voortdurend dat de Kerk momenteel ziek is… Hoe dan ook, ik kan alvast getuigen dat Christus niet ziek is. Hij is verrezen en zijn evangelie is niet verouderd of voorbijgestreefd. Wat de Kerk betreft, ze bestaat uit mensen en als mensen ziek zijn, dan is dat een schok voor de Kerk. Daardoor is de Kerk inderdaad in crisis, maar ik weet – en dit is de diepste overtuiging van mijn geloof – dat het een groeicrisis is.

Deze crisis is belangrijk; ze kan misschien heel zwaar zijn, doch ze moet ons daarom niet verpletteren. Zij maakt me niet bang. De Kerk is een schip met miljoenen mannen en vrouwen en gezinnen aan boord. De boot is gemaakt om stormen te trotseren. Ze zal standhouden, zelfs als sommige passagiers zeeziek worden. Er zijn er die niet graag het hoofd bieden aan die geweldige storm; daarom zoeken ze naar een schuiloord. Anderen willen te vlug gaan en willen snel aan wal een nieuw land opzoeken. We moeten echter aanvaarden te leven op het ritme van de wereld, meer zelfs, op het ritme van God… en de koers houden die Christus ons aangewezen heeft!” (Zo sprak Kardinaal Marty, bisschop van Parijs, in de meidagen van 1968!)

Opgelet! Wat vieren wij precies met Kerstmis?

Er wordt vandaag de dag van alles verteld: het is het feest van het Kind Jezus, van het1icht, van de vrede, van de solidariteit, van de kinderen, van de gerechtigheid, en nog veel meer. Dat alles is niet verkeerd. Maar wat is feitelijk de kern van het feest?

Op de laatste zondag van de advent afgelopen zondag (19 december 2010), de laatste voor het kerstfeest, hoorden we in de evangelielezing het verhaal van de geboorte van Jezus, zoals opgetekend door Mattheüs. Daarin staat te lezen: “Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer gezegd is: ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven’, wat betekent ‘God met ons’.”

We kunnen het kort samenvatten als volgt: met Kerstmis vieren wij op de eerste plaats…

1. De overgrote liefde van God voor de mensen.

“De goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen” (Titus 3,4)

2. Dat het Kind Jezus is Gods Zoon.

Later zal die volwassen Jezus zeggen: ‘Wie mij ziet, ziet de Vader’; ‘Ik en de Vader, Wij zijn één’; ‘de Vader is in Mij en Ik ben in de Vader’.

3. God werkt meestal in de stilte en zeer bescheiden.

Maria, een onbekend meisje; Jozef, een stille ambachtsman; de geboorte geschiedt in een arme stal, verreweg van de menigte, en wordt kort en sober verteld; de eerste bezoekjes: enkele ruwe herders aan wie meegedeeld wordt: “Heden is u een Redder geboren”.

Nu (in 2010!) wij leven in een klimaat van ‘godsverduistering’ is het belangrijk dat wij voor onszelf, en ook voor onze medemensen, dat ‘Gods-gebeuren’ speciaal in de verf zetten en ook trachten te beleven.

Zeggen wij dikwijls in deze dagen van Kerstmis: ‘Naar U gaat mijn verlangen, Heer’. ‘Heer, mijn God, ik ben zeker van U’. Wij mogen jubelen, samen met de engelen en alle mensen van goede wil: “Eer aan God in de hoge, en vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft!”

Bewerking van tekst uit: Woord van Leven 2010, maandblad december 2010, Jaargang 36, Nr. 12, Bert van Brabant, Brugge, blz. 1-2.

Past. J. Geudens

Blog: http://post-van-pastoor-geudens.clubs.nl