Wel of niet euthanasie en kwaliteit van innerlijk leven
Het begrip dat we herhaaldelijk tegenkomen in gesprekken met mensen is: “kwaliteit van leven”. Het leven is pas goed naar de mate dat het kwaliteit heeft. Op zich kan men met dit begrip alle kanten uit want: “wat is dan die kwaliteit van leven” en ”wie bepaalt dat dan, of wie maakt dat uit?”
Men begeeft zich op een riskant terrein wanneer men invulling gaat geven, wanneer men gaat zeggen, wat precies kwaliteit van leven is, of hoe het tenminste toch behoort te zijn. Ik noem enkele voorbeelden. Kwaliteit van leven; dat betekent; als je maar gezond bent … als je maar goed je werk kunt doen … als je maar iets goed presteert. Zulke en soortgelijke uitdrukkingen gebruiken we om aan te geven wat we belangrijk en nastrevenswaardig vinden in het leven. Maar dergelijke uitdrukkingen hebben evenwel soms ook een gevaarlijke kant. Want wanneer het je treft dat je niet gezond bent; wanneer het je treft dat je niet meer kunt; wanneer het je treft dat je niet meer kunt presteren; dan loop je al gauw het risico er ‘niet meer’ bij te horen: men beschouwt het leven dan van een inferieure kwaliteit, want het ideaal is immers: gezond-zijn, werken, kunnen presteren, een functie hebben.
Heel gevaarlijk wordt het wanneer we met zijn allen gaan bepalen wat wel en wat niet menselijk leven moet zijn, wanneer we grenzen gaan stellen aan het leven, en ook aan de kwaliteit van dat leven, zoals dat in gesprekken over wel of niet euthanasie herhaaldelijk naar voren komt. Al met al beoordelen we mensen vaak naar de functie die ze uitoefenen in het maatschappelijk bestel, in het arbeidsproces en in het dagelijkse leven. Let wel, naar de zichtbare functie, de zichtbare vruchten van het bestaan. Als we alleen naar het uiterlijke kijken, zien we dan niet verkeerd of te kort? Inderdaad! We zien te kortzichtig. Zo moeten we heel voorzichtig zijn met de interpretatie van de Evangelielezing: “Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de wijnbouwer, zegt Jezus”. “Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt Hij af…”
Met deze lezing kan niet bedoeld zijn dat mensen die geen zichtbare prestatie leveren; dat mensen die in hun lichamelijke vermogens gehinderd zijn; dat mensen die geen zichtbare functie hebben; dan door God van de stam afgesneden zijn, omdat zij hoegenaamd geen vrucht zouden dragen. Nee, dat leed van mensen afsnijden, van mensen isoleren, dat doen mensen veeleer elkaar aan: aan het ziekbed wanneer de zieke tot niets meer in staat is, en omstanders zeggen: och, hij of zij kan niets meer, lijdt een zinloos leven, en men tegelijkertijd niet ziet dat die zieke mens toch nog heel veel kan; al was het alleen maar luisteren, ja goed luisteren; of een ongekende openheid aan de dag kan leggen met persoonlijke aandacht; op een koninklijke wijze zijn of haar ziekbed kan verdragen.
Of als iemand om de een of andere reden niet meer aan arbeid toekomt, zeggen: “lijkt me wel een lekker leventje dat je leidt, als WAO’er of als werkeloze”. Dat zijn vernietigende opmerkingen wanneer we de achtergronden niet kennen, en wanneer we enkel oppervlakkig kijken. Daarmee snijden wij mensen van de samenleving af, van de gemeenschap af, en isoleren we hen.
De maatstaf van alles is… liefde vanuit God die persoonlijk geworden Liefde is: dat komt telkens weer in het Evangelie van Johannes naar voren. De vruchten van die liefde zijn vaak niet zichtbaar: integendeel het uiterlijk bedriegt vaak: wat uiterlijk, aantrekkelijk en vruchtbaar lijkt, komt vaak niet overeen met het hart van mensen en wat uiterlijk verdord en waardeloos lijkt, kan bij een diepergaand schouwen een grote schat aan innerlijke waarde en rijkdom laten zien. God is liefde: dat zijn de kostbare sappen die de Wijnstok aan ieder van ons, de ranken uitdeelt: de liefde als voedingsstof: de liefde die wij van God ontvangen, die voedingsstof die we door kunnen geven aan anderen, waardoor we een netwerk van ranken kunnen worden verbonden in Christus de gekruisigde en verrezen Liefde.
Wél is het zo, dat wanneer mensen menen die persoonlijke en goddelijke Liefde van Jezus niet nodig te hebben, noch om te ontvangen, nog om uit te dragen; wanneer ze de Bron van Liefde niet erkennen; dat ze zich dan zelf losmaken van de Wijnstok, en hun leven, in het bijzonder hun innerlijk leven verpaupert en verkommert!
We leven in een verdeelde samenleving, we menen te weten wat wel en wat niet kwaliteit van leven is. Dat kan een hoogmoedig standpunt zijn, wie bepaalt dat immers voor een ander, voor die andere mens. God kijkt met andere ogen, met ogen van liefde, en wij zouden moeten leren ook met ogen van liefde te kijken.
Tot slot het volgende voorval. De vrouw van een man lag alweer geruime tijd in het verpleegtehuis. Zij had een ernstige hersenbloeding gehad en was daarbij zwaar verlamd geraakt en kon niet meer spreken. Ze kon slechts met veel moeite haar armen en benen bewegen. Iedere dag ging de man zijn vrouw opzoeken in het verpleegtehuis, week in, week uit. De andere familieleden hadden het al lang laten afweten, en zagen er geen heil meer in. Het koste de man veel moeite om iedere dag toch maar weer te gaan. Een echt gesprek was niet mogelijk, hij zat er dan maar wat bij te kijken en te bidden. Op een dag herinnerde hij zich dat zijn vrouw vroeger graag druiven had, zoete zongerijpte druiven en hij nam een tros mee, en wat er toen gebeurde zal hij zich steeds blijven herinneren: sinds lange tijd lachte zij weer met heel haar gezicht naar haar man; vrucht van volgehouden liefde.
H. Maagd Maria, Moeder van onze Heer Jezus Christus, Medeverlosseres, Middelares,Voorspreekster
Over de beeltenis, die op drievoudige wijze haar universele moederschap voor alle mensen van alle tijden uitbeeldt, zegt de Vrouwe iets heel onverwachts: “Deze beeltenis zal voorafgaan. Deze beeltenis moet over heel de wereld gaan. Zij is de betekenis en uitbeelding van het nieuwe dogma. Daarom heb ik zelf deze beeltenis aan de volkeren gegeven” (8-12-1952).
De beeltenis als duiding en uitbeelding van een nieuw dogma? Over welk dogma heeft de Vrouwe het? In de geschiedenis van de Mariaverschijningen is het werkelijk uniek dat Maria in haar boodschap om een dogma vraagt! Zoals zij zegt zal dit het “laatste en grootste” (15-8-1951) mariale dogma zijn. Wanneer zij zich tot de heilige Vader richt, vraagt zij hem: “Zorg voor het laatste dogma, de bekroning van de Moeder van de Heer Jezus Christus, Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster” (11-10-1953).
Herhaaldelijk richt de Moeder zich in haar boodschappen zelfs direct tot de theologen en legt hun de geloofsinhoud en de grote betekenis van het dogma uit: “Zeg tegen uw theologen dat zij alles kunnen vinden in de boeken. Ik breng geen nieuwe leer” (4-4-1954). “De Kerk zal veel strijd krijgen om het nieuwe dogma” (15-8-1951).
Nu, ruim vijftig jaar later, bevindt de katholieke Kerk zich daadwerkelijk in deze moeilijke en pijnlijke situatie. Aan de ene kant zouden kardinalen en honderden bisschoppen Maria door een dogma als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster geëerd willen zien. Dat is ook de wens van vermaarde theologen, tal van priesters en miljoenen gelovigen. De titel ‘Medeverlosseres’ was veel mariologen en zelfs heiligen, tot in onze tijd toe, zeer dierbaar en is ook door hen gebruikt, bijvoorbeeld door Vincentius Pallotti, Anna Katharina Emmerich, Leopold Mandic, Maximiliaan Kolbe, Edith Stein, pater Pio en Moeder Teresa.
Ook paus Johannes Paulus II heeft de titel ‘Medeverlosseres’ meerdere keren gebruikt. Zo zei hij op 8 september 1982 tijdens de algemene audiëntie: “Maria, die zonder enige zondesmet ontvangen en geboren werd, heeft op wonderbare wijze aan het lijden van haar goddelijke Zoon deelgenomen, om zo Medeverlosseres van de hele mensheid te zijn.”
Maar niet iedereen denkt er zo over, en daar heeft men plausibele redenen voor. Veel kardinalen, bisschoppen en theologen vinden dat het begrip ‘Medeverlosseres’ aanleiding kan geven tot misverstand en dat het daarom in principe ongeschikt is om Maria’s unieke plaats in de heilsgeschiedenis theologisch correct weer te geven.
Als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer zei kardinaal Joseph Ratzinger met betrekking tot deze titel tot de Duitse journalist Peter Seewald, geciteerd in diens boek Gott und die Welt, dat de medewerking van Maria in het verlossingsplan “in andere titels beter tot uitdrukking komt, terwijl de term ‘Medeverlosseres’ te ver af ligt van de taal van de Schrift en de kerkvaders en daarom tot misverstand leidt”. Ook Joachim kardinaal Meisner deelt in deze kwestie dezelfde opvatting.
Dat moet hier volstrekt duidelijk worden gesteld. Want als wellicht beste en trouwste vriend van de paus zou de aartsbisschop van Keulen nooit toestemming hebben gegeven om in zijn bisdom een gebedsdag te houden ter ere van de Vrouwe van alle Volkeren – van wie de boodschappen immers direct verbonden zijn met de titel ‘Medeverlosseres’ – als niet ook het actuele standpunt van de Congregatie voor de Geloofsleer duidelijk wordt gemaakt.
Deze houding betekent echter niet dat bisschoppen, priesters, theologen en gelovigen de titel ‘Medeverlosseres’ niet zouden mogen gebruiken. Gedragen door het grote respect voor het authentieke leerambt van de Kerk blijft de theologische discussie open.
Als men het begrip ‘Medeverlosseres’ theologisch correct uitlegt, wordt duidelijk dat Maria daardoor niet aan Jezus gelijk wordt gesteld, alsof zij God zou zijn. Veeleer betekent Mede-verlosseres dat zij als de Onbevlekte Ontvangenis en Nieuwe Eva, in volkomen vereniging met haar goddelijke Zoon, op unieke wijze voor onze Verlossing heeft geleden, en dat in volledige afhankelijkheid van Hem en geheel uit Hem levend.
Een dialoog van de liefde
Wil deze waarheid te zijner tijd als dogma worden afgekondigd, dan moeten de theologische meningsverschillen over de titel ‘Medeverlosseres’ door diepgaander studie, liefdevolle dialoog en vooral door gebed en offers vroeg of laat tot een overeenstemming leiden.
Daarbij één opmerking: pleitbezorgers van de titel ‘Medeverlosseres’ zouden begrip moeten opbrengen voor de mensen die in hun oprechte liefde tot Maria deze term ongeschikt vinden. Sommigen van hen hebben als marialoog belangrijke werken over Maria geschreven. Maar uit bezorgdheid dat aan Jezus’ onvergelijkbare, unieke positie als goddelijke Verlosser zou worden getornd of dat de oecumene gevaar zou lopen, geven ze er de voorkeur aan de titel Medeverlosseres niet te gebruiken.
Een andere groep theologen heeft er geen probleem mee om Maria met de titel ‘Medeverlosseres’ te eren, maar zien er absoluut de noodzaak niet van in om deze waarheid ooit als dogma te definiëren. Weer anderen staan wel open voor het dogma, maar vinden het onverstandig dit in de nabije toekomst af te kondigen.
Welke mening iemand ook vertegenwoordigt, de theologische discussie moet gevoerd worden zonder polemiek, in broederlijke liefde, met wederzijds respect en met inachtneming van de “geloofszin van het Godsvolk” (“sensus fidei”). Het mooiste voorbeeld hiervan is misschien wel paus Johannes Paulus II en zijn naaste medewerker Joseph kardinaal Ratzinger. Terwijl paus Wojtyla waarde hechtte aan de titel en die ook gebruikte, had de prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer zijn bedenkingen. Dat deed echter geen afbreuk aan hun vriendschap, die zeer vruchtbaar was voor het welzijn van de Kerk.
Eén ding is zeker: het dogma zal bovenal de vrucht van gebed zijn, en het zal groeien vanuit de harten van mensen die lijden. Het zal een dogma zijn dat door bidden en lijden tot stand is gekomen. De machtigste voorbidders zijn dus de mensen die ziek zijn en lijden, van wie sommigen ook bereid zijn om hun leven hiervoor te geven.
De weg naar de ware vrede
Of het theologisch correct is Maria Medeverlosseres te noemen, daarover zullen de theologen zich – het leerambt van de Kerk volgend – verder buigen; alle bisschoppen van de wereld zullen door de paus om hun mening worden gevraagd, en dan zal de heilige Vader beslissen. Ook al wordt een dogma nooit op grond van een privé-openbaring openbaring afgekondigd, toch is het heel bijzonder – en een echte bemoediging – dat we nu al mogen weten hoe buitengewoon genaderijk dit mariale dogma voor Kerk en wereld zal uitwerken.
Want de Vrouwe van alle Volkeren belooft een nieuwe uitstorting van de heilige Geest en daardoor ware vrede voor de volken. “En de Vrouwe bleef bij haar apostelen tot de Geest kwam. Zo ook mag de Vrouwe komen bij haar apostelen en volkeren van heel de wereld, om hun de heilige Geest weer en opnieuw te brengen. … Als het dogma, het laatste dogma in de mariale geschiedenis, is uitgesproken, dan zal de Vrouwe van alle Volkeren de vrede, de ware vrede geven over de wereld” (31-5-1954).
Deze genadevolle uitwerking van het dogma, Maria’s overwinning op het kwaad en de daarmee verbonden wereldvrede, wordt op de beeltenis op indrukwekkende wijze weergegeven: de slang is – zoals reeds gezegd – niet meer op de aardbol te zien. Om echter de macht van Satan wereldwijdvolledig te overwinnen, moet Maria, zij die de slang vermorzelt, ook wereldwijd nadrukkelijk in de totale volheid van haar roeping worden erkend en geëerd – als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster.
Of en wanneer het dogma zal worden afgekondigd, dat is natuurlijk alleen aan de heilige Vader. Er zal echter zeker geen nieuw mariaal dogma worden afgekondigd zolang de meeste mensen niet begrijpen wat het inhoudt en het merendeel van de gelovigen nauwelijks meer mariaal is. We zien dus dat de tijd er nog niet rijp voor lijkt te zijn.
Maar hoe moet de tijd dan rijp worden? Hoe moeten de volken Maria weer als Moeder leren achten en liefhebben of haar überhaupt eerst als Medeverlosseres leren kennen? Wat kunnen wij als gelovigen concreet in het dagelijks leven doen opdat de Moeder op een dag plechtig door het laatste mariale dogma wordt verheerlijkt? Het antwoord daarop geeft de Vrouwe ons zelf: “Dit is mijn boodschap voor vandaag omdat de tijd dringt. Er moet een grote actie komen voor de Zoon en het Kruis en de Voorspreekster en Brengster van rust en vrede, de Vrouwe van alle Volkeren” (1-4-1951).
Een volkomen vreedzame bijdrage die alle mensen van goede wil kunnen leveren om de weg te bereiden voor het dogma, voor de wereldvrede, is de verspreiding van haar GEBED en BEELTENIS waar de Vrouwe ons om vraagt. Deze verspreiding geeft ze zelfs een naam. Ze noemt het een “grote wereldactie” (11-10-1953) of zelfs een “verlossings- en vredeswerk” (1-4-1951).
“Als u de Voorloper ziet, mag gezegd worden dat de zending van ha-Yeshua Mashiach is begonnen!”, zegt een oude Joodse wijsheid. Wie anders is die bode dan de Maagd Maria? De aanzwellende reeks eindtijdaankondigingen, denk aan Lourdes, Fatima en zovele andere, staat in de teken van “bekeert u want het rijk van God is nabij”. Die reeks aankondigingen is in 1846 begonnen met Maria’s verschijningen aan de herdertjes van La Salette. Dus de moeder Gods is de heraut ter voorbereiding van de nieuwe tijd.
Babu G. Ranganathan – Darwin en Mendel zijn het niet eens
Image via Wikipedia
Ons begrip van biologische veranderingen (evolutie) is niet afkomstig van Charles Darwin, maar eerder van Gregor Mendel. Mendel was een Oostenrijkse monnik wiens experimenten en onderzoek naar kruisingen van planten de basis gelegd hebben van de gentheorie en ons begrip van de moderne genetica en biologische variatie en de overdracht van biologische kenmerken in de natuurlijke soort.
Darwins en Mendels werken zijn met elkaar in tegenspraak. Darwin leerde dat er geen grenzen zijn aan biologische variatie en dat bijvoorbeeld een vis zou kunnen uitgroeien tot een volledige mens. Door Mendel bleek echter dat er grenzen zijn bij de biologische variatie. Variaties binnen de soort (honden, katten, paarden, koeien, etc.) zijn wel mogelijk, maar niet tussen de soort. Evolutie beperkt zich enkel tot de “vormen”. Mendel’s werk werd pas begrepen dertig jaar na Darwins “The Origin of Species”. Als Darwin Mendels beginnende wetenschappelijke werken had gelezen dan had hij nooit zijn boek geschreven over de oorsprong van de soorten.
Ranganathan: “Wetenschap kan niet bewijzen dat we hier op aarde zijn door schepping, maar evenmin kan de wetenschap bewijzen dat we hier bij toeval zijn of door macro-evolutie ontstaan zijn. Niemand heeft beide processen kunnen observeren. Beide zijn gebaseerd op geloof. En als het om geloof gaat heeft de schepping betere papieren dan de Darwinistische theorie van macro-evolutie.”
“Omdat de wetenschap niet kan verklaren hoe het leven en het universum ontstaan is, wil niet zeggen dat er geen Schepper is. Zou het rationeel zijn om te geloven dat er geen vliegtuigbouwer achter het vliegtuig zit omdat de wetten van de wetenschap kunnen uitleggen hoe een vliegtuig vliegt?
In het artikel van de Pravda wordt verwezen naar onder andere het Amerikaanse Institute for Creation Research in Californië, dat baanbrekend onderzoek verricht naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van schepping en evolutie. Hoe meer we te weten komen en hoe meer inzicht we verkrijgen, des te ongeloofwaardiger en des te zwakker de evolutietheorie. Maar de media berichten hier niet over.
Want op de belangrijkste voorvraag kan nooit antwoord gegeven worden: hoe kan menselijk leven, intelligent leven, ontstaan zijn uit morsdode materie? En als dat al gebeurd zou zijn, dan zou al het genetische materiaal, alle genetische informatie al in de dode materie hebben moeten zitten. En om dat te geloven, heb je een honderd keer groter geloof nodig dan het geloof in de schepping door een almachtige God.
De wetenschappelijke inhoud van deze video bewijst toch wel dat evolutie onmogelijk is
Evolutie: Feit Of Fictie?
Is de evolutietheorie gebaseerd op wetenschappelijk onweerlegbare feiten, of is het eigenlijk niet meer dan een filosofie, gebaseerd op de uitleg die mensen aan bepaalde feiten geven? Die vraag staat centraal. Het leidt tot verrassende conclusies die veel van de zogenaamde “feiten” ontmaskeren als fictie.
Nederlands ondertiteld!
Is the Theory of Evolution a scientific fact or a mere belief? This is the only question this documentary seeks to answer. Five world top scientific minds give their answer on Evolution. A ground breaking video sold all around the world, award winning international documentary, now available for all to see.
VERKLARING: Na de afschaffing van de canons 1399 en 2318 van het wetboek voor het Kerkelijk Recht door Paus Paulus VI, in AAS 58 (1966) 1186, kunnen geschriften betreffende nieuwe verschijningen, openbaringen, wonderen enz. worden verspreid en gelezen door de gelovigen, ook zonder de uitdrukkelijke kerkelijke goedkeuring tot het drukken, maar steeds in overeenstemming met de christelijke moraal in het algemeen.
De Nederlandse vertaling werd verzorgd en uitgegeven door Mr Omer Dhooghe Schrijnwerkersstraat 3, 9240 Zele in België.
Dit boek is verkrijgbaar bij ‘Madonnacentrum Totus Tuus‘, Frans van Dijckstraat 5, 2100 Deurne-Antwerpen.
Tel. 00323 2362015
Mail : rozenkransm@gmail.com
INHOUD van het Nederlandse boek: De Schepping
Deel 1 – Inleiding (blz. 67-70)
Deel 2 IK ZOCHT DE WAARHEID OM DE WETENSCHAP OVEREEN TE DOEN KOMEN MET DE H. SCHRIFT EN ‘DE WAARHEID’ KWAM MIJ TEGEMOET (blz. 71-86: par. 1-15)
Deel 3 EERSTE DEEL VAN HET VISIOEN: DE EERSTE PIONIER, ‘HET MODEL’ (blz. 87-122: par. 16-65)
Deel 4 TWEEDE DEEL VAN HET VISIOEN: DE ALFA EN DE SCHEPPING (blz. 123-154: par. 66-89)
Deel 5 DERDE DEEL VAN HET VISIOEN: DE GEBOORTE VAN DE VROUW, ‘DE OMEGA’ (blz. 155-236: par. 90-190)
Deel 6 HET TEKEN VAN KAÏN (blz. 237-240: par. 191-193)
Deel 7 DE ERFZONDE (blz. 241-260: par.194-210)
Deel 8 DE LAATSTE MAALTIJD VAN ABEL (blz. 261-274: par. 211-221)
Deel 9 DE DOOD VAN ABEL (blz. 275-282: par. 222-227)
Deel 10 DE AVOND VAN DE NOODLOTTIGE DAG VAN DE DOOD VAN ABEL (blz. 283-300: par. 228-239)
Deel 11 ‘HET ZIJN MENSEN’ ofwel nu ‘WIJ ZIJN ALLEN DIEREN’ (blz. 301-306: par. 240-244)
Deel 12 HET LAATSTE GESPREK (blz.307-312: par. 245-253)
Nieuwe visie en verrassende ophelderingen over de oorsprong van de mens, de aarde en het heelal. Het betreft openbaringen van onze Heer Jezus Christus aan de priester Guido Bortoluzzi gegeven betreffende de oorsprong van Adam en Eva, en de erfzonde door Adam. Deze openbaringen zijn voor priesters en religieuzen, maar ook voor de standvastige gelovigen erg belangrijk, omdat zij ons de noodzakelijkheid van de Verlossing beter doet begrijpen.
Pastoor Guido Bortoluzzi
Pastoor Bortoluzzi werd geboren te Farra d’Alpago in de provincie Belluno, hetzelfde jaar waarin Lucia van Fatima werd geboren. De 13 oktober 1917 woonde hij in de geest de verschijning bij van de Heilige Maagd aan de drie herders en zag hij het zonnewonder. In 1922 werd hem in het seminarie voorspeld door de heilige Johannes Calabria, dat hij op gevorderde leeftijd een zeer belangrijk boek zou schrijven over de Genesis. Door pater Matheus Crawley werd hem in 1928 aangekondigd dat hij een openbaring zou ontvangen over de duistere punten van de Genesis. Ook zei Pater Crawley aan zijn studiegenoot Albino Luciani, dat hij zou worden verheven tot de hoogste graad van de kerkelijke hiërarchie (de latere paus Johannes-Paulus I). Enkele jaren later deelde Theresia Neumann hem mee dat God grote plannen van barmhartigheid met hem had, zij voorzag dat de Heer hem zou spreken over voor de gehele mensheid zeer belangrijke zaken, en beval hem aan om alles op te schrijven. In 1945 zag hij in een visioen de overstromingsramp met de Vajont tot in de kleinste details, 18 jaar voor het gebeurde, dus ook nog voordat de dijk werd ontworpen. Hij waarschuwde de burgemeester, maar werd niet ernstig genomen. Toen hij op 65 jarige leeftijd ervan overtuigd was dat de profetieën over hem niet zouden worden bewaarheid, omdat hij zich onwaardig voelde, toonde de Heer hem in absoluut wakende toestand de schepping van het heelal, de aarde, de Man en de Vrouw. Hij zag hoe onze voorvaderen geschapen werden in staat van volmaaktheid en hoe de erfzonde de neergang heeft veroorzaakt van de volgende generaties, zozeer dat ze verbasterde afstammelingen werden met kenmerken van mensapen. Alleen de herhaalde tussenkomsten van de Heer brachten de menselijke soort tot haar her- ontwikkeling, tot ze weer in staat waren, om Zijn Woord (de Messias) en de Verlossing te verwelkomen.
Inleiding
Door pater Serafino Dal Pont, missionaris van de Consolata
De openbaring over de oorsprong van het heelal en de vaderlijke en moederlijke oorsprong van de mens, verleend aan het door beproevingen getekende leven van don Guido Bortoluzzi, en opgetekend in dit boek, is een bemoedigend voorbeeld van de nabijheid van de ‘Levende God’ bij Zijn schepsel, bij de mens van onze tijd, die bijzondere behoefte heeft aan duidelijkheid en hulp, na in de steek gelaten te zijn door een wetenschap vol tegenspraak en door een zwak en verdeeld geloof. Vele bladzijden van de Heilige Schrift alsook de onnauwkeurigheden in de interpretatie van die bladzijden zijn duister gebleven. Daarom is de Heer aan het hevige pastorale verlangen tegemoet gekomen van een oprecht en nederige priester, die de boodschap van het Goddelijk Woord grondig wilde begrijpen. De ware theologen zijn de mystici en de heiligen, zij staan in verbinding met de ‘Levende God’ en treden in gemeenschap met het bovennatuurlijke, en stellen hun vertrouwen niet zozeer in zichzelf maar in God. Wie de gave en de vrijheid van geest heeft zich open te stellen voor deze nieuwe goddelijke gunst, zal tenslotte de tragedie begrijpen die heeft plaatsgehad aan het begin van de mensheid. Een tragedie die ons vanaf het begin heeft verwijderd van het beeld en de gelijkenis met God. Dit alles, zoals de Schrift steeds heeft geleerd door vrije keuze, door het wantrouwen en de opstand van de vader van alle mensen Adam tegenover God. De lezer zal zodoende beter de noodzaak begrijpen dat de gehele mensheid tot in de wortels zal moeten genezen, door het zuiverende Bloed dat vergoten is door de Nieuwe Adam, Christus, voor alle mensen zowel op fysiek, emotioneel, intellectueel, als op geestelijk vlak. Dan pas zal God werkelijk verheerlijkt kunnen worden en zal de Aarde de ware vrede vinden.
Onderwerpen in het boek ‘De Schepping (Genesis, 1-6) – Guido Bortoluzzi’ (Oorspronkelijke titel: Genesi Biblica, door Renza Giacobbi. Nederlandse uitgave: Omer D’hooge, Zele, 2003.)
1. Het visioen van Adam in zijn leefmilieu; de boom van het Leven en de wilde boom; de geboorte van de eerste Vrouw.
2. De schepping van het heelal: het ontstaan van het zonnestelsel; vorming van de aarde.
3. Eerste uitbarsting: ontstaan van de maan; verschijnen van plantaardig en dierlijk leven.
4. Tweede uitbarsting: heel de schepping ‘met het oog op de mens’.
5. De Stamvader van de mensheid; God zag dat het zeer goed was; de wieg van de mensheid: het waar en wanneer; de ‘duivel’ van de begeerte en van de zinnelijkheid; de oorzaak van de verleiding; de erfzonde; de Mens tegen God.
6. De effecten van de verdorvenheid van de soort: de eerste exemplaren; de verbastering van de volmaakt geschapen menselijke soort; alleen Abel en Set, en niet Kaïn, werden voortgebracht ‘naar het beeld en de gelijkenis van God’.
7. De eerste familie verenigd bij de laatste maaltijd van Abel; het voorwendsel dat de moord op Abel veroorzaakte; de dood van Abel; de dader van de eerste moord; de eerste familie is in de rouw; het Kaïnsteken; de erfenis van Kaïn: seksuele afwijkingen spruiten voort uit genetische ontaarding.
8. Pas met de geboorte van Enos begon men met het aanroepen van de Naam van de Heer.
Samenvattend Schema
Om de ontwikkeling in de kennis van don Guido beter te begrijpen, is het misschien goed een samenvattend overzicht te maken van alle ontvangen openbaringen.
* I openbaring, ontvangen in 1968 (in de vorm van innerlijke inspraak): leert dat het enige menselijke kenmerk van Kaïn, het menselijk woord is. Daardoor krijgt don Guido de zekerheid dat de mens volmaakt geschapen is zoals geschreven in het boek Genesis. Indien Kaïn er niet uitziet als een mens, dan moet er stroomopwaarts een probleem van genetische verbastering geweest zijn.
* II openbaring, ontvangen in het jaar 1970 (I profetische droom): leert dat de erfzonde alleen door de Man (Adam) begaan is.
* III openbaring, ontvangen in 1970 (II profetische droom): met de dood van Abel en met de erfzonde door Adam heeft het geweld en de seksuele ontsporing in de mens zijn intrede gedaan. Hij begrijpt alsnog niet dat het slachtoffer Abel was en denkt dat het slachtoffer, gezien zijn jonge leeftijd, een afstammeling is van Set.
* IV openbaring, ontvangen in 1970 (III profetische droom): hij ziet de eerste geslachten van bastaarden, de mensen van de prehistorie die op de mensapen gelijken.
* V openbaring, ontvangen in 1972 (het grote visioen): hij ziet het ontstaan van het Heelal, de Aarde, de Maan en van de eerste Vrouw. Tenslotte wordt hem door de Heer gezegd dat het voorloper wijfje dathet Meisje ter wereld gebracht heeft Evais, en er wordt hem op gewezen dat zij dezelfde hoofdpersoon is van de erfzonde. De Heer zegt hem ook dat Eva de verbindingsschakel is tussen de twee soorten, de moeder van de eerste twee personen van het Menselijk Geslacht.
* VI openbaring, ontvangen in 1974 (IV profetische droom): hij woont de laatste maaltijd van Abel bij, en begrijpt de ware identiteit van Kaïn en Abel.
* VII openbaring, ontvangen in 1974 (V profetische droom): het is de openbaring waarmee de Heer hem verklaart dat de Man onrechtstreeks verantwoordelijk is voor de moord op Abel, door tegen de wil van God in, Kaïn verwekt te hebben. De Heer bevestigt hem bovendien dat de droom van de erfzonde authentiek is en dat bijgevolg de Vrouw volkomen vreemd was aan die zonde, omdat zij op dat ogenblik pas een paar jaar oud was. Hij begrijpt bovendien de opstand van de Man (Adam) tegen God en zijn gebrek aan berouw.
* VIII openbaring, ontvangen in 1974, (in de vorm van innerlijke inspraak): waarin hij deware Liefde van God begrijpt en zijn barmhartig Verlossingsplan voor de verbasterde mens.
Kern van de boodschap
“De theologie leert dat God die alles ‘goed’ maakt, het eerste menselijke paar ‘zeer goed’ maakte, en dat niet volgens de manier van een dierlijke staat waaruit het in de loop van duizenden jaren en ten koste van onnoemelijk lijden zou zijn geëvolueerd. De ‘Mens’ (Adam) kon dus niet de vrucht zijn van een evolutie, want in dat geval zou de mensheid in haar oorspronkelijke staat niet iets ‘zeer goeds’ zijn geweest. Het is duidelijk dat als de door God geschapen ‘Mens’ een volmaakt wezen was, terwijl anderzijds de archeologische ontdekkingen tonen dat de mens van de prehistorie een onvolmaakt wezen was, het de erfzonde is geweest die hem in al zijn aspecten heeft ontaard tot zelfs het aannemen van de uiterlijke kenmerken van mensachtigen (zoals Kaïn door don Guido werd gezien). Indien de ‘Mens’ in lichaam en ziel verdorven raakte, dus niet alleen in de geest, is het logisch dat de erfzonde een zonde is geweest van kruisbevruchting, wat te wijten valt aan een (bepaalde verboden) gemeenschap buiten de (Adamitische) soort”. (Hubert Luns, Opheldering t.a.v. Oorsprong van de Mens volgens Don Guido Bortoluzzi, 3e Ed, http://www.scribd.com/doc/76950089/Opheldering-t-a-v-Oorsprong-van-de-Mens-volgens-Don-Guido-Bortoluzzi-3eEd , blz. 5).
Wetenschappelijke verantwoording
Ophelderingen bij de duistere gedeelten van de Genesis
Deze openbaring heeft tot doel de duistere plaatsen van de Genesis op te helderen met wetenschappelijke argumenten die toegankelijk zijn voor allen. De Heer eist voor Zich elke scheppingsdaad op en legt ons de modaliteiten uit waarmee Hij rechtstreeks tussengekomen is, hetzij bij de schepping van de Mens, hetzij voor gelijk welke andere soort.
Samengevat zegt God dat elke schepping van een nieuwe soort altijd vertrokken is van een kiem en dat er nooit een plant of dier geschapen is in een fase van ontwikkeling of als bij toverslag. Dit beginsel van elke schepping is zowel geldig voor het heelal als voor het leven.
Hij legt ons niet uit hoe Hij het leven geschapen heeft bij zijn ontstaan, maar door te tonen hoe Hij handelde om de eerste Man en de eerste Vrouw te scheppen, suggereert Hij om dit beginsel uit te breiden tot de schepping van alle andere soorten.
Ook de eerste Man en de eerste Vrouw werden niet geschapen als volwassenen zoals de fundamentalistische creationisten zouden willen doen geloven, noch in een staat van evolutie zoals de evolutionisten beweren, maar ze werden geschapen in hun eerste kiem met absolute volmaaktheid.
Waar had dat embryonale leven zich beter kunnen ontwikkelen tenzij in de schoot van een wijfje dat reeds behoorde tot een bestaande soort? Voor dit doel bediende de Heer zich als middel, voor de schepping van de Man en de Vrouw, van een wijfje van een nu uitgestorven soort.
Daarom werd deze handelwijze middellijke schepping genoemd. God heeft als middel of onderbouw datgene gebruikt dat reeds geschapen was. Deze regel werd reeds eerder gebruikt voor de schepping van gelijk welke andere nieuwe soort. Het enige maar uiterst belangrijke verschil was, dat in de schepping van de Man en de Vrouw, God vanaf het eerste ogenblik van hun ontvangenis, een nieuw element toevoegde, Zijn Geest, zodat het Zijn geestelijke Kinderen werden.
Bijgevolg de Mens komt voort maar stamt niet af van de onmiddellijke lagere soort. In alles en voor alles is hij een nieuw schepsel, daar er nooit een gen van de lagere soort naar de hogere doorgegeven werd. Alleen het voedsel werd doorgegeven. (Dit neemt niet weg dat wellicht om afstotingsproblemen te vermijden, beide soorten geschapen werden met talrijke gelijke genen). De Heer zegt bovendien dat Hij voor elke soort een enkel stampaar schiep, mannetje en wijfje, beiden met de kenmerken van een bepaalde soort. Het was de overweldigende hoeveelheid soorten in stijgende ontwikkeling en met een steeds grotere volmaaktheid, die de evolutionisten in dwaling bracht, zodat zij er uit besloten dat er een spontaan evolutieproces bezig was.
De Heer laat zien hoe de menselijke soort, die volmaakt geschapen was, bezoedeld werd door een daad van verbastering, die begaan werd vanaf het eerste geslacht met de soort waaruit hij voortgekomen was. Een verbastering die de daaropvolgende geslachten benadeelde.
Hubert Luns: “Een opmerkelijk geval van verbastering van de soort wordt in Genesis 6 aangeroerd, waar het aan de genealogische levensboom, die van de “kinderen van God”, verboden was kennis te hebben, dat wil zeggen een vrucht voortbrengende gemeenschap, met (de nakomelingen van) de wilde genealogische boom. In dat hoofdstuk is sprake van de (voortzettende) noodlottige vereniging – waardoor beide soorten (steeds verder) verdorven raakten tussen “de kinderen van God” en “de dochters van de mensen”, ofwel de volmaakte mensen en de dochters van de hybriden of bastaards”. (Hubert Luns, idem, blz. 5)
In deze ongehoorzaamheid, die naar waarheid een zonde was van uiterste aanmatiging en zelfgenoegzaamheid, bestaat de erfzonde.
De menselijke soort stortte zich daardoor in een afgrond, met een teruggang naar ziel en lichaam, waardoor ze de vereisten verloor eigen aan haar zuivere en volmaakte soort. De verbasterde mensen verloren ook de Geest van God want God kon niet wonen in dierlijke wezens.
Nadat de meest compromitterende franjes weggeveegd waren door meerdere selecties, begon de Heer aan zijn werk van herstel door middel van een her-evolutie van de verbasterde soort, waartoe heel het hedendaagse menselijke geslacht behoort. De archeologische vondsten zijn dus niet het bewijs van de evolutie van de menselijke soort, maar wel van zijn verval en van zijn her-evolutie. Dit herstelwerk is nog steeds bezig. Wanneer de her-evolutie van de mensheid een zekere hoogte bereikt had, met een voldoende capaciteit om te verstaan en te willen in de volheid van de tijden, zond God Zijn Zoon Jezus opdat Hij Zijn Geest zou teruggeven aan alle zachtmoedigen en rechtvaardigen op aarde, opdat zij door Zijn gehoorzaamheid en bemiddeling, opnieuw zouden kunnen toegelaten worden tot het geestelijke erfgoed, en dat de poorten van het eeuwige geluk voor hen zouden kunnen geopend worden. Deze openbaring is buitengewoon eenvoudig en logisch, zoals alles wat van God komt.
Bedenkingen bij het Mozaïsche Boek Genesis
Hoe kan men nu deze openbaring in overeenstemming brengen met het mozaïsche Boek Genesis? Om te beginnen moeten we enkele historische feiten in beschouwing nemen betreffende het Woord dat Mozes ontving. Wanneer God aan Mozes de oorsprong van het heelal en de schepping van de Mens openbaarde, had het joodse volk nog geen eigen schrift. We moeten opklimmen tot voor de tijd van de Koningen om de sporen te vinden van de eerste Hebreeuwse documenten. Dit betekent dat er tussen de twee gebeurtenissen eeuwen verlopen zijn, hetzij men Mozes wil dateren rond 1250 voor Chr., zoals de traditie wil, en nog meer als men dateert rond 1700 voor Chr., zoals de meer recente geschiedschrijvers beweren. Deze tijdspanne omwille van de grote omvang van de vijf Boeken van de Pentateuch, vormt een ware uitdaging voor gelijk welke mondelinge overlevering. We moeten er ook rekening mee houden dat de oude Hebreeuwse taal zeer levendig van aard was. Ze gebruikte gaarne zinnebeelden, woordspelingen, uitdrukkingen die geheel eigen waren aan die taal, symbolen, kinderachtige beelden die nochtans een diepe betekenis hadden. De Hebreeuwse taal werd gebruikt door een verstandig volk dat wist te spelen met de uitdrukkingen om plaats te laten voor de intuïtie.
Daarbij weten wij ook dat gelijk welke taal een voortdurende verandering ondergaat en in het bijzonder als die taal nog niet verankerd is aan een schrift. Een mondelinge overlevering is het onderwerp van culturele, historische en eigen inmengingen, die met de tijd aan een bepaalde uitdrukking een verkleuring kunnen geven die zich verwijderd van de oorspronkelijke betekenis. Het volstaat dat een woord met een heel juiste betekenis beetje per beetje een gewijzigde nuance aanneemt, om synoniem te worden van een ander woord dat, min of meer, dezelfde betekenis heeft. Woorden zoals wijfje, vrouw en echtgenote kunnen oneigenlijk gebruikt zijn en grote verwarring teweeg gebracht hebben die de zin van de tekst vermomd heeft. Dit is waarschijnlijk voorgevallen voor dat de geschreven taal bestond. Deze goed onderscheiden maar gelijkaardige woorden werden gebruikt als synoniemen en bewerkten daardoor onopgemerkt de overlapping van twee onderscheiden vrouwelijke figuren. Zulke feiten hebben verwarring gebracht in de Bijbelse teksten.
Aangezien God waakt over zijn Woord kunnen wij veronderstellen dat Hij met deze openbaring opnieuw aan het licht wil brengen wat reeds vanaf de verst verwijderde tijden dubbelzinnig overgeleverd werd. We mogen ook veronderstellen: als Hij niet eerder tussengekomen is, is dit omdat Hij wilde wachten tot de wetenschap in staat zou zijn de modaliteiten van Zijn Schepping en de werkelijke gevolgen van de erfzonde te begrijpen.
Als van de ene kant de Bijbel ons spreekt over de schepping zonder ons te zeggen hoe die schepping gebeurde, en als van de andere kant de moderne wetenschap nog niet in staat is te begrijpen hoe God geschapen heeft, dan komt deze openbaring uiterst goed van pas. Ze is van onmetelijk belang voor de wetenschap en voor de godgeleerdheid. De wetenschap is reeds enkele jaren begonnen aan een strenge kritiek van het evolutionisme en trekt daarbij de causaliteitsbeginselen in twijfel die de kracht waren van die theorie en die zoveel terrein ontnomen hebben aan het geloof in een God Schepper.
Er dient opgemerkt te worden dat deze openbaring veel minder verschilt van de mozaïsche Genesis dan het de schijn heeft, zijn fundamentele kern wordt volkomen geëerbiedigd zoals de onmiddellijke tussenkomst van God in elke scheppingsdaad, de volmaaktheid van de oorspronkelijke mens en zijn verwaande ongehoorzaamheid die het evenwicht in de schepping verstoord heeft.
Er dient ook gezegd wat op het eerste zicht nieuw lijkt, en onverzoenbaar is met de mozaïsche tekst, zoals het gebrek aan onderscheid tussen de eerste Vrouw en Eva, de echte hoofdrol samen met de Man in de erfzonde, dat dit in feite uitgelegd wordt door de hypothese dat er zich bij het opstellen van de Genesis een verwarring voorgedaan heeft, waarover we het reeds gehad hebben en waarvoor we boven de motieven aangegeven hebben. En het is vanzelfsprekend dat, wanneer een zaak niet begrepen word, eindigt ze met weggelaten en vergeten te worden. Een ander voorbeeld van iets dat weggelaten werd, is het ontbreken van enige uitleg bij de uitdrukking die het onderscheid bevestigt, zonder het op te helderen, tussen de Kinderen van God en de kinderen van de mensen (Gen. 6,2-4). Dit bewijst dat er nog andere leemten aanwezig zijn in de mozaïsche tekst die tot ons gekomen is, en deze leemten hebben hun sporen nagelaten zoals in dit geval.
Dit is de ware reden voor de onbegrijpelijkheid van enkele passages uit de Genesis, want ‘wij lezen alleen datgene dat overgebleven is’ van de ware openbaring die aan Mozes gegeven werd. Dit zou ook verklaren waarom de mozaïsche Genesis in het Koptisch, die ook christen is, veel passages heeft die verschillen van de huidige Hebreeuwse tekst en van de officiële Italiaanse tekst.
Historische wijzigingen van de mozaïsche Genesis
Bij de studie van de Pentateuch, die de Genesis, de Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium omvat, in het licht van de moderne criteria, wordt rekening gehouden met de verscheidenheid in de uitdrukkingswijze, de stijl en bepaalde gevoeligheden in zekere stukken en zelfs in verschillende verzen. Daardoor zijn enkele bijbelgeleerden tot het twijfelachtige besluit gekomen dat de Pentateuch het werk zou zijn van verschillende schrijvers, of scholen, die zich in de tijd zouden opgevolgd en zich tevens met elkaar verwikkeld zouden hebben. Volgens hen zouden de belangrijkste schrijvers tenminste vier in getal zijn: de yahwistische auteur, de eloïstische auteur, de deuteronomistische auteur en de priesterlijke auteur. Deze bijbelgeleerden houden er echter geen rekening mee dat, zoals de Hebreeuwse leer en de christelijke overlevering voorhoudt, de gehele Pentateuch het werk is van Mozes. Maar aangezien er werkelijk verschillen bestaan in de stijl, kan men de hypothese opperen dat deze te wijten zouden zijn aan opeenvolgende tussenkomsten in de loop van de eeuwen, waarbij de tekst omgewerkt werd met het oog op de aanpassing van de mozaïsche tekst aan steeds nieuwe culturele eisen en aan een ander spraakgebruik.
Deze revisoren om het zo uit te drukken, zouden meestal gehandeld hebben als opknappers, die het originele hebben doen verdwijnen, maar daarbij herhaaldelijk een spoor van hun tussenkomst nagelaten hebben. Dit zou uitleggen hoe er in de eerste hoofdstukken van de Genesis twee verhalen zijn van de schepping en twee van de zondvloed.
Het eerste document van de Heilige Schrift in archaïsch Hebreeuws is een klein fragment dat dateert van een eeuw voor de komst van de Koningen en handelt over de episode van Debora uit het Boek van de Rechters. Daaruit kunnen we een eerste hypothese afleiden, dat dit document misschien een eerste poging was om dit op te schrijven in het Hebreeuws. Een andere hypothese is deze, dat naast dit voorbeeld van archaïsch schrift, er een origineel bestond van geheel de Pentateuch dat nu verloren gegaan is, en dat de vier zogenaamde ‘schrijvers’ of scholen van schrijvers, niets anders zijn dan de vrucht van massale ‘tussenkomsten’ achtereenvolgens hier en daar aangebracht. Bij gevolg, terwijl we het duidelijke onderscheid in stijl behouden, voorgesteld door Wallhausen, vervangen we de term ‘schrijvers’ door ‘tussenkomsten’ en we noemen ze eenvoudig:
A) de yahwistische ‘tussenkomst’ die teruggaat tot de tijd van de Koningen rond 950 voor Chr., zo genoemd omdat ze het woord Yahwe gebruikt (Yhawh of Yhwy) om de enige God aan te duiden;
B) de eloïstische ‘tussenkomst’ die ongeveer een eeuw later komt en de term Elohim gebruikt om de Godheid aan te duiden;
C) de deuteronomische ‘tussenkomst’ die nog eens een eeuw later komt, en zo genoemd wordt omdat de meeste hoofdstukken van Deuteronomium dan erbij gekomen zijn;
D) de priesterlijke tussenkomst aangeduid door de letter P (beginletter van Priestercodex) een werk dat gedurende en na de Babylonische gevangenschap plaatsvond, d.i. rond het jaar 550 voor Chr..
Voor wat ons studiegebied betreft, dus de eerste hoofdstukken van de Genesis, zijn alleen van belang:
A) de schrijver van de yahwistische tussenkomst, die een meer losse stijl heeft, levendiger, meer gekleurd, waaraan de verhalen toegeschreven worden van de schepping van Man en Vrouw, de erfzonde, de broedermoord van Kaïn, het onderscheid tussen Kinderen van God en kinderen van de mensen, de reuzen, verder nog de zondvloed, de toren van Babel, enz., en
B) de schrijver van de priesterlijke tussenkomst die ongeveer vier eeuwen later komt en een meer monotone stijl vertoont, en die meer schematisch is, meer verstandelijker, en een zekere invloed verraadt van de cultuur en de filosofie van de Babyloniërs. Daaraan worden toegeschreven: de schepping van de kosmos en van de Aarde, de geslachtslijsten, en verder nog een tweede versie van de zondvloed, enz.
En ziehier nu waartoe we met deze redenering willen komen. We hebben er reeds op gewezen dat, voor het archaïsche schrift dat het yahwistische schrift onmiddellijk voorafgaat, er geen eigen geschrift bestond bij het Hebreeuwse volk. En ook het yahwistische geschrift was zeer rudimentair. Het was samengesteld uit éénlettergrepige tekens die overeenkwamen met de wortels van de klinkers die tegelijkertijd naamwoorden, bijnaamwoorden en werkwoorden konden betekenen. Aan dit schrift ontbraken nog klinkers, voorzetsels, lidwoorden, leestekens en afstanden tussen de woorden. Een zin kon dus op veel manieren opgevat worden en een tiental betekenissen hebben. Een zin moest dus ontcijferd worden als een raadsel. Slechts later ontwikkelde zich het schrift en vormde zich om tot een verbuigbare taal, d.w.z. in een taal waarbij een teken overeenkomt met een klank. Bijgevolg, ten tijde van het yahwistische schrift, moesten de lezing en de verklaring van de tekst vergezeld gaan van de mondelinge overlevering om de tekst te vervolledigen en te voorzien in die moeilijkheden. Deze opdracht werd toevertrouwd aan de priesterklasse.
Maar een mondelinge overlevering die gespecialiseerd is in het lezen en verklaren van zulke vage heilige teksten, zoals men gemakkelijk kan begrijpen, is een wetenschap met veel zwakke punten, het volstaat dat een steek losgelaten wordt om een grote verwarring tot stand te brengen, zoals we gezien hebben. Zodoende kan een fout in de verklaring nog versterkt door een eenduidig taalgebruik een lawine van vergissingen meebrengen. En dit is het wat waarschijnlijk gebeurd is. Want naar waarheid, is het over het onderscheid en de nauwkeurigheid van die drie termen (vrouw, wijfje, echtgenote) dat het gaat in deze nieuwe openbaring, die tot doel heeft elke dubbelzinnigheid te bannen betreffende de rol en de identiteit van de vrouwelijke wezens in de yahwistische tekst, een dubbelzinnigheid die voortduurt tot in onze dagen en een meer realistische visie verhinderd heeft over het probleem betreffende de oorsprong van de Mens.
We weten bovendien, dat al die yahwistische, eloïstische, deuteronomische en priesterlijke geschriften waarmee de Pentateuch samengesteld is, in een enkele tekst samengevoegd werden rond de jaren 430 voor Chr. Slechts in de 5de eeuw na Chr. werden ze herbewerkt en overgeschreven in het huidig Hebreeuwse schrift. Het resultaat van dit ontzaggelijke werk is de tekst die we tegenwoordig gebruiken voor lezing en studie in de scholen van theologie.
De Pentateuch werd samen met de andere Boeken van de Heilige Schrift vertaald in de klassieke en moderne talen. Bijgevolg is de mozaïsche Genesis die we nu ter de hand hebben het resultaat van ontelbare tussenkomsten in de loop van duizenden jaren, waarvan elkeen een teken nagelaten heeft.
Schijnbare tegenstellingen met meer recente openbaringen
Het probleem van eventuele tegenstellingen kan eerder ontstaan door vergelijking van deze openbaring met geschriften van andere profeten van het Nieuw Testament. Wie kennis heeft van openbaringen van de Heer aan zieners zoals Maria Valtorta en andere mystieken, zou kunnen zeggen dat de nieuwigheden die geopenbaard zijn in dit werk betreffende Eva, hen tijdelijk in crisis zouden kunnen brengen. Hier bevestigt men dat Eva niet de eerste Vrouw was, zoals tot nu toe aangenomen werd. Het was een wijfje dat behoort tot een soort onmiddellijk lager aan de menselijke soort, dat met haar dierlijke DNA door de erfzonde het zuivere bloed van de Kinderen van God bezoedeld heeft.
Deze nieuwigheid is allerbelangrijkst voor de wetenschap en voor een dieper begrip van onze Verlossing door Jezus. Ze is heel recent bevestigd aan begenadigde zielen en schijnbaar blijkt het in tegenstelling met de geschriften van Maria Valtorta die handelen over de erfzonde. Doch bij aandachtige studie van, in het bijzonder de Quaderni (Schrijfboeken), vinden we talrijke bevestigingen, zoals de beschrijving van de gevolgen van de erfzonde, waarbij de verschijning onderlijnd wordt van dierlijke monsters en aapachtigen, onder de afstammelingen van Adam, onbekwaam om de gaven van de Geest te verstaan en te willen.
De Heer heeft met Valtorta de deur geopend tot deze openbaring zonder echter te wijzen op het onderscheid tussen de eerste Vrouw, de wettelijke echtgenote van Adam, en het voormenselijke wijfje van de erfzonde. Bij gevolg vormt deze weglating in de geschriften van zieners uit de voorbije jaren geen probleem, als we bedenken hoe uitgebreid het onderwerp was dat de Heer aan don Guido wilde openbaren. Noodzakelijkerwijze heeft Hij dit in een afzonderlijke openbaring willen uitleggen, om de aanvaarding van deze openbaring niet in het gedrang te brengen, zoals in het geval van Valtorta, die talrijke tegenstanders gekend heeft voor minder belangrijke redenen. Bijgevolg: bij openbaringen in het verleden en zelfs heel recent, heeft Jezus zich gehouden aan de kennis van die tijd door op een traditionele wijze te spreken over Eva.
Ziedaar waarom de Heer in zijn plan van Barmhartigheid slechts nu tussengekomen is om de dubbelzinnigheid op te helderen betreffende de overlapping van de twee vrouwelijke entiteiten. De genetica is nu in staat de gevolgen ervan te begrijpen. Hij heeft gewacht, met de bedoeling dat deze openbaring haar juiste uitwerking zou hebben en de mensheid in staat zou zijn om de wetenschappelijke en morele waarde ervan te begrijpen en op prijs te stellen. Deze openbaring is een zeer ernstige zaak die van zeer groot belang is voor de mensheid, ze verdient dus ernstig genomen te worden. Enkel als men de ware grond kent van de erfzonde is het mogelijk de grootheid en de noodzakelijkheid van de Verlossing te begrijpen.
Aanhangsel
Het derde hoofdstuk van het Boek Genesis dient herlezen te worden in het licht van de nieuwe kennis.
Heel de mozaïsche passage van het derde hoofdstuk van het boek Genesis dient beschouwd te worden als een luchtdichte (ondoordringbare) passage, zoals het Boek van de Openbaring (de Apocalyps), omdat die passage geschreven werd in symbolische vorm, waarin de waarheid dus verborgen werd achter veel zinnebeelden. Ongetwijfeld behoort die ondoordringbare voorstelling tot het plan van God, die het inzicht erin voorbehouden had voor de tijden waarin de mensheid in staat zou zijn de genetische werkzaamheid en de morele gevolgen ervan te begrijpen. Het was dus Zijn Wil dat pas nu aan de wereld de sleutel gegeven werd voor de lezing ervan, door de ontcijfering met behulp van deze openbaring.
Het begrip Eva dient herzien te worden in de traditionele verklaring van het derde hoofdstuk van het Boek Genesis. Eva, in de Bijbel de moeder van alle levenden, is de boom van de kennis van goed en kwaad, voorwerp van het verbod van de Heer, de zwakke schakel tussen de twee soorten. Zij had de mogelijkheid, met haar 47 chromosomen, voort te brengen zowel van de voorlopers als van de Man. Uit deze wilde boom verwekte de Man, door de wil van God, ten goede de Vrouw, en tegen de wil van God, verwekte hij ten kwade Kaïn. God, uit eerbied voor de vrije wil die Hij de Man geschonken had, onthield Zich daarin van Zijn scheppende tussenkomst. Veel inkt is vergoten om te trachten het mysterie van die verzen uit de Genesis te verklaren, en begrijpelijk is de letterlijke verklaring van de slang, de boom en de vrucht bij vele theologen al sinds lange tijd verlaten:
A) Voor enkele geleerden heeft de erfzonde bestaan in het zich onttrekken (in evolutie zeggen zij) aan de wetten van de natuur, die bij de dieren de tijden van de vruchtbaarheid regelen. Die geroofde vrijheid en tot in het oneindige herhaald door hun afstammelingen, bracht volgens hen tot het verlies van het geluk. Zij houden er geen rekening mee dat God de Mens reeds verschillend van de dieren kon hebben geschapen.
B) Door velen daarentegen wordt de erfzonde alleen beschouwd als een zonde van de geest veroorzaakt door hoogmoed, door zelfgenoegzaamheid en door ongehoorzaamheid van de mens. Deze manier om de Bijbelse passage te verklaren lijkt enigszins beperkend en misleidend. Het geeft het beeld weer van een God die, naijverig voor de eigen geheimen, het menselijke schepsel vernedert in het natuurlijke en wettelijke onderzoek naar de waarheid. Vertrekkende van deze verklaring komt er twijfel op of de mens ooit gelukkig kon zijn, daar de behoefte aan kennis ingebed is in zijn natuur. Daaruit zou voortvloeien dat God een afstandelijke God is die geen begrip toont, die straft en zich gedraagt als een tiran. Dat zou een onvolmaakte God zijn waartegen men zich moet verdedigen en die meer het voorkomen heeft van een menselijke projectie, dan het beeld van de God van Barmhartigheid. Het zou God niet meer zijn.
C) Anderen beschouwen de uitdrukking boom van de kennis van goed en kwaad als het verlangen van de mens om zich een eigen begrip te scheppen van goed en kwaad. Deze aanmatigende houding zou de zogenaamde erfzonde geweest zijn, een zonde die altijd aanwezig was in de menselijke ziel vanaf de oorsprong. De toe-eigening van de kant van de mens, van het onderscheid dat alleen God toekomt zeggen zij, zou de ware zonde van hoogmoed en ongehoorzaamheid zijn. Terecht begrijpen zij dat uit deze ongehoorzaamheid die in werkelijkheid aanmatiging is, de aanmatigende houding voortkomt om een objectieve moraal te ontkennen.
Van hier naar de betrekkelijke moraal, reeds naar voren gebracht door Voltaire, is een korte stap. Deze aanmatiging die de Heer niet zal dulden, omdat het een moraal is die tegen de mens ingaat, zou volgens deze denkers de kern zijn van de erfzonde. In werkelijkheid komt deze laatste verklaring, in het licht van deze openbaring, de waarheid het meest nabij, omdat ze de zelfrechtvaardiging is van een overtreding van de geboden van God, die onvermijdelijk tot hoogmoed en zelfgenoegzaamheid leidt op moreel gebied. Die bijbelkenners hebben de verdienste begrepen te hebben dat de mens het geluk niet kan vinden wanneer hij willekeurig de wet van God verlaat. Maar dit volstaat niet. Nu weten wij dat de morele kant slechts een aspect is van de erfzonde, omdat ze zich ook heeft verwezenlijkt in een concrete daad.
D) Alleen een zeer kleine minderheid bijbelkenners en geleerden heeft het feit in overweging genomen dat die zonde de lichamelijke en psychische ongereptheid van de mens geschaad kan hebben. De archeologische ontdekkingen met betrekking tot de evolutie, waarvan we nu weten dat het gaat over een her-evolutie, hadden de theologische gedachte misleid en doen vergeten dat de Bijbel bevestigd heeft dat de mens geschapen was met de hoogste volmaaktheid (hij was “zeer goed”). Deze bevestiging van de Bijbel was niet ernstig in overweging genomen, want ze bleek niet in overeenstemming gebracht te kunnen worden met de onvolmaaktheid van de huidige mens, en nog veel minder met die van de voorhistorische mens. Het probleem leek onoplosbaar en eindigde met aan het Boek Genesis de geloofwaardigheid te ontnemen en de vereiste eerbied voor het Woord van God. Alleen een nieuwe openbaring kon ons de sleutel geven voor de lezing van deze ondoordringbare passage uit het Boek Genesis.
De Verlossing
Zonder de kennis over het ware wezen van de erfzonde (en van haar gevolgen) is het niet mogelijk de werking van de Verlossing te begrijpen, had monseigneur Masi gezegd in 1932, waarbij hij zich wendde tot de seminaristen, en speciaal don Guido in het oog hield.
Nu we begrepen hebben waarin de erfzonde bestaat, en nu we weten welke de ware gevolgen van de zonde geweest zijn, kunnen we het werk van heropbouw begrijpen dat God verricht heeft in de mens in al zijn aspecten, zowel psychofysische als geestelijke.
Vers 6,3 van Genesis zegt: En Mijn Geest zal niet voor altijd in de mens blijven, omdat hij vlees is. Dit vers zegt ons een zeer belangrijke zaak, dat de Mens door God geschapen de Geest van God bezat en dat hij die vervolgens door de verbastering verloren heeft.
In feite de nakomelingen van de verbasterende kruisingen, niet gewild door God omdat ze voortgebracht zijn ten kwade, ontvingen niet meer de adem van Goddelijk Leven: de Geest die God ingeblazen had in de schepselen ten Goede, samen met het Beeld van God. Met de bekwaamheid om de Bovennatuurlijke Gaven te begrijpen en te willen aanvaarden, verloren ze ook de Gelijkenis met God d.w.z. de Geest, omdat ze niet meer geschikt waren om waardige tempels te zijn van de Heilige Geest.
Maar wat is deze Geest die God heeft teruggenomen? Zeker niet het verstand, dat door natuurlijke oorzaken verloren gaat en niet door de wil van God, want God kan zijn schepselen niet schaden. Als het de verstandelijke vermogens waren zouden wij moeten denken dat de gereëvolueerde mens opnieuw en van nature de Geest heroverd heeft. Maar wij weten dat het niet zo is, omdat de mens een formele daad van aanneming nodig heeft om opnieuw de Geest te ontvangen en om terug aangenomen te kunnen worden als kind in de familie van God, en die daad is het Doopsel.
Bij het Doopsel met water en het Doopsel in het bloed (= het geloofsgetuigenis door het vergieten van het bloed), voegt zich, het Doopsel van verlangen. Het verheft al degenen tot kind van God die naar de Waarheid streven, ofschoon ze te goeder trouw een dwaalleer aanhangen, maar leven in zachtmoedigheid en rechtschapenheid in liefde voor de naaste en tevens de natuurwet onderhouden. Zij blijven echter benadeeld in vergelijking met hen die het ware Geloof bezitten, het Woord van God en het gebruik van de Sacramenten.
De Geest komt dus rechtstreeks van God en men erft hem niet langs genetische weg. Langs genetische weg kan men een zekere aanleg erven, een geschiktheid of een vermogen om de Gaven van de Geest te aanvaarden. Maar de aanvaarding van de Geest blijft altijd een daad van de persoonlijke vrije wil. Als de opnieuw geëvolueerde mens het Doopsel nodig heeft om de Geest van God te bezitten, en als de Geest, die niet geïdentificeerd kan worden met het verstand of met het vermogen zich uit te drukken, iets veel groter is, betekent het dat Hij niet tot de natuurlijke sfeer behoort en dat Hij niet gradueel heroverd werd door toedoen van de her-evolutie, maar behoort tot de transcendente of goddelijke sfeer. De Geest is in feite de Kiem van ‘Goddelijk Leven’, de Vonk van ‘Goddelijk Leven’, dat deel van God, dat men rechtstreeks van God ontvangt.
De wettelijke Kinderen van God waren in hun volmaaktheid samengesteld uit lichaam, ziel en Geest. Maar terwijl het lichaam en de ziel door God geschapen werden, is de Geest uit God voortgekomen, aangezien Hij van hetzelfde wezen is als de Vader. We zouden kunnen zeggen dat de Vader Zijn ‘geestelijk DNA’ (in brede zin) heeft overgebracht in Zijn wettige Kinderen, d.i. Zijn eigen Leven. De Alfa, God Schepper, en de Omega, de zuivere Man en de zuivere Vrouw samen met al hun zuivere en wettige nakomelingen, zijn innerlijk verbonden, omdat ze deel hebben van hetzelfde Leven van de Geest Gods.
Indien de Geest die de volmaakte Mens bezat, en die de verbasterde mens verloren had, een deeltje van het Leven van God zelf was, volgt daaruit dat de oorspronkelijke Mens meer gelijk was aan God dan aan gelijk welk ander van Zijn schepselen, de huidige mens inbegrepen.
Veronderstellen we dat er analogie bestaat tussen het bezitten van de Geest en het bezit van de ‘Gelijkenis met God’ en, insgelijks tussen het bezit van een volmaakt lichaam en een volmaakte ziel, en het bezit van het ‘Beeld van God’. Dan volgt daaruit dat de oorspronkelijke Mens een volmaakt ‘Beeld van God’ was, want hij bezat een volmaakt vermogen om te begrijpen en te willen, en hij bezat de ‘Gelijkenis met God’, omdat hij de Geest bezat.
Maar toen de mens de verbastering overkwam heeft de verbasterde mens het ‘Beeld van God’ verloren, dit is het vermogen te begrijpen en te willen, door de genetische onevenwichtigheid, en bij gevolg ook de geschiktheid voor de ‘Gelijkenis met God’, de bekwaamheid om de Geest van God te behouden. Ziedaar waarom God Zijn Geest heeft teruggetrokken van de verbasterde mens. Omdat waar het ‘Beeld van God’ ontbreekt door de overhand van de dierlijke instincten, daar kan de ‘Gelijkenis met God’ niet zijn. Het is alsof de ‘Gelijkenis met God’ het vat is, en het ‘Beeld van God’ de inhoud; als het vat lekt, gaat de inhoud weg. Dat is het, wat er gebeurd is door de erfzonde.
Een oneindig klein percent dierlijk bloed volstaat om de absolute volmaaktheid te laten ontbreken die nodig is om wettige kinderen van God te zijn. Dit is een feitelijke toestand en geen schuld voor de verbasterde mens. Het is een gevolg van de erfzonde.
Maar de verbasterden kunnen dankzij de Verlossing, verlangend uitzien om aangenomen kinderen van God te worden. Door de Barmhartigheid van God kan de mens, die verlangend uitziet naar zijn verlossing, ook al is hij niet naar het volmaakte Beeld van God, de Geest ontvangen, niet door eigen verdienste, maar omdat Christus, de ware Zoon van God, ingeënt wordt in hem. Dit is de grote en geweldige Gave die God schenkt aan de mens door het Doopsel. Hij geeft hem Zijn Geest, Hij geeft hem terug een Deeltje van Zichzelf. En daarmee het recht om in eeuwigheid het Leven in God te genieten ook al behoudt hij zijn identiteit. Het is een Leven van volledig bevredigende gemeenschap. Dit is de Verlossing.
Hoe kan de mens zich ter beschikking stellen voor deze inenting?
Door te erkennen dat Jezus waarlijk de Zoon van God is, en dat Hij het vermogen heeft ons Zijn Geest te geven. Johannes zegt, ‘Dit is het eeuwige Leven, dat zij U kennen, die Jezus Christus Uw Zoon gezonden hebt (Joh, 17, 3). Dit sluit in dat, indien wij Jezus erkennen als de bewerker van onze geestelijke dimensie, wij ons leven in overeenstemming zullen moeten brengen met de leer van het Evangelie. Kennen in Bijbelse zin betekent niet te weten komen, maar wel delen in dezelfde intimiteit of dezelfde werkelijkheid. In ons geval is het: erkennen dat God ons Jezus gezonden heeft, Zijn ware en wettige Zoon, die ons geschikt maakt om deelgenoot te worden van Zijn eigen, bovennatuurlijk Leven, en door Hem het eeuwig Leven in God te genieten. Het is dus een vermogen dat voldoende is “om de Gaven van de Geest te begrijpen en te verlangen”, die aan ons, verbasterden, een gedeeltelijk maar tegelijk voldoende Beeld van God geeft, om mits bepaalde voorwaarden de Geest te kunnen ontvangen die de Gelijkenis is met God en het Goddelijk Leven.
De eerste van deze voorwaarden is het verlangen zich te ontdoen van de aardse gezindheid doordrenkt van dierlijke instincten geërfd van Eva, niet alleen een misvormde seksualiteit, maar ook oneerlijkheid, de geest van naijver, wraak, ongebreideld bezit, enz.
De tweede voorwaarde is de instemming van de wil met de denkwijze van God, die wezenlijk Liefde is, en de onderwerping aan Zijn Wetten. Alleen een nederige en zachtmoedige ziel kan de Geest ontvangen en de Genade die hem voedt. Bijgevolg is het mogelijk dat iemand die niet onderricht is of weinig verstand heeft, de Geest bezit, omdat hij geloof heeft, naastenliefde en wijsheid in zijn betrekkingen met God en omgekeerd dat een zeer verstandige persoon deze kan ontberen. Deze voorwaarden zijn voor de christen voorondersteld tot de geldigheid van het Sacrament van het Doopsel.
‘God kastijdt niet: God bevordert of bevordert niet’
Uit de kruising van de twee soorten, de zuivere Kinderen van God met de voorlopers, werden de verbasterde reuzen geboren, de kinderen van de mensen, die monsterachtige en machtige wezens waarover het Boek Genesis (6, 4) spreekt. Die mensen, natuurlijke en onwettige kinderen van de eerste Man, hadden het beeld van God verloren, niet alleen in hun uiterlijk, maar ook innerlijk. Zij waren steeds gereed tot gewelddadigheden, met bedorven zielsgesteltenis en soms met een ontspoorde seksualiteit.
Hoe zou de Geest van God hebben kunnen wonen in die wezens, die meer leken op dieren dan op mensen. Het is duidelijk als God Zijn Geest van hen terugtrok (Genesis 6,3), dat zij verstoken bleven van het Leven van de Geest, zij waren geestelijk dood. Dit is wat de Bijbel in veel gevallen bedoelt, wanneer er sprake is van dood of van een wereld van de duisternis, de mens blijft verstoken van het Licht van de Geest. Wanneer de Bijbel spreekt over dood, is dit niet altijd de scheiding van ziel en lichaam door het lichamelijke overlijden van de mens, maar wordt de scheiding van de ziel en de geest bedoelt, waardoor elke band van verwantschap met God wordt verbroken.
We hebben gezien hoe de verbasterde mens nooit door de her-evolutie de verloren Geest zou hebben kunnen heroveren, omdat die enkel en alleen van God kon komen. De mens had een ware en aangepaste nieuwe scheppende en voortbrengende daad van God nodig, de Verlossing, om opnieuw in de ziel het goddelijke Licht te ontsteken, de Geest van God.
Bijgevolg, terwijl enerzijds doorheen de natuurlijke en kunstmatige schifting, waarschijnlijk gepaard aan een oneindig aantal herhaalde scheppende ingrepen, waarvan we enkele voorbeelden hebben in de Bijbel, zoals de miraculeuze geboorten uit onvruchtbare moeders, heeft God de mensheid gebracht tot de psychofysische her-evolutie. Met het terugwinnen van een voldoende vermogen om te begrijpen en te willen, heeft Hij met oneindige Barmhartigheid erin voorzien om in de ziel het Licht van de Geest opnieuw te ontsteken door middel van Jezus. Men zou met meer nauwkeurigheid kunnen zeggen dat er in de Verlossing een samengestelde werking van God geweest is.
1) Hetzij in het genezen van het lichaam en de ziel van de erfelijke belasting te wijten aan de verbastering (dat wat Sint Paulus in de Brief aan de Romeinen – 8, 23 – noemt de verrijzenis van ons lichaam of de verlossing van ons lichaam), door een langzaam en voortdurend ingrijpen van afzonderlijke scheppende daden, die reeds begonnen vanaf de verste tijden, om de mensheid opnieuw geschikt te maken om de Geest te ontvangen.
2) Hetzij in het opnieuw ontsteken van het gedoofde Licht met een Vonk van Goddelijk Licht, waarbij Hij Zijn Eigen Geest meedeelt in een voortbrengende daad, met behulp van de ware en eigenlijke Verlossing bewerkt door Christus,
Dit is de ‘Barmhartigheid’, het betekent ‘zijn eigen hart geven aan de ongelukkige’. En aangezien het Hart van God, die Zuivere Geest is, de ‘Geest’ is, betekent de Barmhartigheid van God de gave die God geeft van Jezus’ Geest door de Sacramenten, aan de onterfde en ongelukkige mens.
Voor de persoon die bezoedeld is door de verbastering, dus de geestelijke dood of de afwezigheid van de Geest, gaat het ‘Leven’ van de Geest vooraf en komt het niet nadien. Don Guido zei met de Heilige Johannes: “Wie God niet bemint blijft in de geestelijke dood”.
Dat is reeds de hel, voor eeuwig ondergedompeld blijven in de onderwereld, eenvoudig schepsel tussen de lagere schepselen, en als zodanig uitgesloten van de gemeenschap in de Geest met God. Want “God kastijdt niet. God bevordert of bevordert niet” – zo sprak don Guido – “datgene wat wij moeten vrezen, is van niet bevorderd te worden.”
Deze overeenstemming van gevoelens en bedoelingen met God, is de oproep die God gedaan heeft, eerst aan Adam en daarna aan de gehele mensheid om zowel de eerste Man als de huidige mens mede te betrekken in het wijze gebruik van de gave van het leven, door middel van zijn verstand en zijn vrije wil. Het is een verantwoordelijkheid, die als ze door Adam ten goede zou gebruikt geweest zijn, hem zou verheven hebben om hem tenslotte te doen binnengaan in de Goddelijke Glorie.
Meer dan ooit nu met de tweede schepping, de Verlossing, wordt de oproep van God de Vader herhaald met aandringende liefde. Terwijl Hij de mensheid toont dat de huidige mens alleen door zich gelijkvormig te maken aan Christus, zachtmoedig, bevorderaar van de gerechtigheid, onwraakzuchtig en gehoorzaam aan God, ‘de Weg, de Waarheid en het Leven ‘kan vinden en zo datgene kan verwezenlijken wat de Man in de eerste schepping vernietigd heeft. Alleen dit besef zal de komst uitvoerbaar maken van het Messiaanse tijdperk, voorspeld door Isaïas.
Onze persoonlijke verlossing eist inspanning en lijden. Het is een steile weg, want hij veronderstelt de overwinning van onze instincten. Dat is onze bewuste deelname aan het werk van het goddelijke herstel van onze natuur, dat Sint Paulus gedefinieerd heeft als “datgene wat ontbreekt aan het Lijden van Christus “, wee als het zo niet zou zijn. Als de verlossing ons zou gegeven worden zonder onze inspanning, als bij toverslag, zouden we gevaar lopen de fout van de eerste Man te herhalen die zich zelfgenoegzaam waande en de onderwerping aan God niet aanvaardde.
Hoe een mindere of meerdere graad van zuiverheid te beoordelen
De her-evolutie heeft niet de kenmerken teniet gedaan die de verschillende etnische soorten onderscheiden, integendeel, de langdurige afzondering heeft de verscheidenheid benadrukt. Een overhaastige lezing van het Werk (van don Guido) zou doen geloven dat het racistische gevoelens opwekt, omdat het enkele kenmerken van de verbasterde mens doet uitkomen die in tegenstelling zijn met die van de oorspronkelijke zuivere Mens. Het komt als vanzelf op te letten op de kleur van de huid, ogen, haren, gestalte, lengte van de benen, de bouw van de romp of de dichtheid van de beharing, enz. De uiterlijke kenmerken zijn voor de Heer geen belangrijke elementen! De ervaring leert ons dat de schoonheid of de lengte niet noodzakelijk gepaard gaan met de gave van een levendig verstand of van een edelmoedig hart.
Wat is dus het criterium om in de verbasterde mens een mindere of meerdere zuiverheid te bepalen: deze die aan God behaagt. Jezus zegt het ons in de Bergrede als Hij de belangrijkste zaligheden opsomt. Zalig, bevoorrecht, omdat hij meer geniet van de gaven van de Verlossing, dus zalig is degene die zachtmoedig is, die handelt met rechtvaardigheid en strijdt met ongewelddadige middelen, en zelfs aanvaard vervolgd te worden voor dat ideaal. Het is geen kwestie van huid, verstand, cultuur of beschaving, het is een zaak van min of meer gelijkvormig te zijn aan de morele gaven en de manier van denken van Jezus (vgl. Mt. 11, 29). Deze kenmerken die de vrucht zijn van een gezond verstand en van een onberispelijke moraal, bepalen die zuiverheid die aan de basis ligt van ons vermogen om de gave van de redding te ontvangen. Don Guido zei ook nog: “Deze gaven zijn rechtvaardig verdeeld onder alle volkeren, en dit is een teken dat alle volkeren gelijke kansen hebben en dat ze gelijkwaardig bemind worden door de Heer”. Onze echte moeilijkheid bestaat eerder in onze beschikbaarheid om de waardeschaal anders op te stellen, omdat we nog teveel bepaald zijn door de natuurwetten, die de sterkere of de meer begaafde bevoordeligen. Deze wetten zijn geschikt om het evenwicht in de natuur te beschermen en voor het overleven van de soort, maar ze zijn vreemd aan het bovennatuurlijke Rijk van de Geest.
Voordelen die voortvloeien uit deze openbaring
Het is vanzelfsprekend dat men zich afvraagt welke praktische voordelen deze openbaring met zich meebrengt. Indien de huidige mensheid niet volmaakt is ten gevolge van haar talloze psychofysische verwordingen en behoefte heeft aan genezing, is het noodzakelijk haar ziekelijke toestand te kennen en er een volledige omschrijving van te maken. Veel huidige ziekten vinden hun eerste oorsprong in genetische vervorming door het elkaar overlappen van de chromosomen van de twee soorten, die van de volmaakte Mens en die van het dier, waaruit de huidige soort voortkomt. Zonder deze werkelijkheid voor ogen te houden is het onmogelijk een objectieve diagnose te stellen. Een dergelijk onderzoek is zeer complex en omvat vele takken van de wetenschap.
Alleen God, de Schepper van de volmaakte Mens, bezit de objectieve kennis van de huidige mens. Hij alleen kan een herstellingswerk volbrengen. Daarom is Hij tussenbeide gekomen met de psychofysische verlossing. Wanneer de mensheid een voldoende graad van verstandelijke ontwikkeling bereikt had, die Sint Paulus “de volheid der tijden” noemt, heeft Hij Zijn Zoon Jezus gezonden om hen de Geest terug te geven. Jezus heeft daarna de Kerk gesticht en Haar volmacht gegeven om het werk voort te zetten dat Hij begonnen was, met tot doel de mensen terug te brengen tot de zuiverheid van de oorsprong.
De Kerk is dus de bewaarder van de goddelijke opdracht om de mensheid Gods Geest te geven. Dit is: de mensen te doen herrijzen die geestelijk dood waren, te evangeliseren, de zielen te bevrijden die verdrukt worden door de duivel en God te danken. Behalve dit heeft Zij ook de taak een instrument te zijn van genezing voor de lichamelijke en psychische ziekten van haar kinderen. Hoe? Door middel van de Sacramenten, die een ware geestelijke en fysieke dialyse bewerken, doordat ze in onze zwakke en belaste menselijke natuur het volmaakte Lichaam en Bloed van Jezus binnen brengen.
Misschien kon zelfs de Kerk, zonder deze openbaring, zich geen juist rekenschap geven van de grootte van haar zending, die elke menselijke logica te boven gaat. Zij is geroepen om samen te werken met God aan de herschepping van een steeds volmaaktere en op de oorspronkelijke volmaaktheid gerichte mensheid.
Een ander belangrijk voordeel van deze openbaring bestaat in de mogelijkheid onze zelfkennis te verdiepen. Namelijk de kennis dat in ons diepste ik de neigingen en de aanleg van het dier genetisch ingeschreven zijn, overgeërfd van Kaïn. Het geeft ons de mogelijkheid te ontleden welke onbewuste voortstuwende instincten ons gedrag beïnvloeden.
Het is van het hoogste belang dat er een zuivering zou plaatsvinden, dat de mens het volle besef van zijn toestand zou hebben en de volledige kennis van wat God van hem wil. Een bekering is niets anders dan de omkering van een neiging in de geestesgesteldheid van de oude mens, die nog slaaf is van zijn instincten, om zich gelijkvormig te maken aan het voorbeeld van Christus.
Post scriptum
In de openbaring is er geen enkele verwijzing naar Satan, noch als serpent, noch als boze geest die Adam aanzette om te twijfelen aan de goede trouw van God. Dit probleem is reëel en ook don Guido besefte het. Als eerlijk man voegde hij niets toe om het probleem op te lossen.
Don Guido betoonde zich tegenover deze openbaringen zeer nederig en lijdzaam van hart. Veel problemen zijn opgelost doch er ontstonden ook nieuwe problemen. De identiteit van Eva was een onvoorstelbare nieuwigheid volgens de traditie, maar het was ook een opheldering want nu begrijpen wij hoe de ontaarding van het menselijke geslacht is verlopen. Maar is een nieuw probleem, de afwezigheid van Satan bij de verleiding van Eva en Adam. Don Guido zette zich volledig in om de boodschap van de Heer te begrijpen maar stierf met veel onopgeloste vragen. Hij gaf zichzelf de schuld van onbekwaamheid om een passend antwoord te geven. Hij eindigde met zich niet meer over die problemen te pijnigen in een rustige overgave aan de wil van de Heer, die hem niets had meegedeeld over dit probleem. Zijn besluit was, als de Heer iets van zoveel belang had nagelaten te verklaren in een openbaring die juist zoveel punten betreffende de schepping wilde uitleggen, dan had Hij daar Zijn redenen voor. Het is ook mogelijk dat de Heer de oplossing van dit probleem wilde overlaten aan de theologen. Daarom beperkte hij zich tot wat hij gezien had en zei: aan een profeet wordt alleen gevraagd dat hij trouw weergeeft wat hem geopenbaard werd.
„Die Bedeutung der MUTTER und FRAU ALLER VÖLKER für Kirche und Welt von heute“
Vortrag von P. Paul Maria Sigl, geistlicher Leiter der Gemeinschaft ‘Familie Mariens’
1. Internationaler Gebetstag zu Ehren der Frau aller Völker
in Amsterdam, 31. Mai 1997
Exzellenz, vielgeschätzte Bischöfe,
liebe Brüder und Schwestern aus nah und fern!
Am heutigen Tag genau vor 42 Jahren sagte Maria hier in Amsterdam: “Ihr sollt dafür sorgen, dass jedes Jahr …, bei diesem Bild die Völker versammelt werden. Das ist die große Gnade, die Maria, Miriam oder die Frau aller Völker, der Welt schenken darf.“ (31.05.1955)
Wenn das Kommen der Immakulata in der Rue du Bac und die Offenbarung der Wundertätigen Medaille als der Beginn der marianischen Epoche bezeichnet wird, darf man vom Kommen der Mutter und Frau aller Völker mit Recht sagen, dass dies der Höhepunkt und die Krönung der marianischen Epoche ist.
Amsterdam – Höhepunkt und Krönung der marianischen Epoche? Vielleicht überrascht Euch das. Aber Ihr werdet bald verstehen, dass dies keine Übertreibung ist.
DIE SEHERIN IDA PEERDEMAN
Heute, am Ersten Internationalen Gebetstag der Mutter und Frau aller Völker viel über die Seherin Ida Peerdeman zu erzählen, wäre ihr selbst sicher nicht recht. Wie Bischof Bomers in der Begräbnisansprache für Mutter Ida sehr richtig bemerkte: “Sie war durch und durch nüchtern, bis zum letzten Tag, und hatte eine sehr große Abscheu vor einer Verherrlichung ihrer eigenen Person. Davon war bei ihr keine Rede.”
Ja, es ist wahr, es ging ihr immer nur um Maria. Lasst uns deshalb nur ganz kurz aus ihrem Leben erzählen:
1905 im nordholländischen Alkmaar geboren, hatte sie bereits als 12jähriges Mädchen die erste Begegnung mit der schönen hell-leuchtenden Frau. Dies geschah 1917 dreimal im Rosenkranzmonat Oktober, in dem Maria auch zum letzten Mal den drei Hirtenkindern in Fatima erschien. Doch erst 28 Jahre später, am 25. März 1945, beginnt Idas eigentliche Berufung.
Wer die große Bedeutung der Amsterdamer Botschaften bedenkt, wird nicht überrascht sein, dass Maria für den Beginn ihres Erscheinungszyklus als MITERLÖSERIN genau jenen Tag wählt, an dem die Kirche des größten Ereignisses der Schöpfungsgeschichte gedenkt: Gott wird Mensch im Schoß der Jungfrau Maria. Es ist der Augenblick, an dem in besonderer Weise Mariens miterlösende Berufung beginnt, denn an diesem Tag wird sie durch ihr Jawort auf das innigste vereint mit dem Leben ihres Erlösers, des Erlösers der Menschheit.
Im Laufe ihres Lebens lernt Mutter Ida schmerzlich kennen, was es heißt, in den Massenmedien verlacht und verspottet zu werden. Viele verschreien sie als verrückt, und selbst von kirchlicher Seite erfährt sie Unverständnis und Demütigungen.
Immer besser versteht die Seherin, dass sie als Trägerin der Botschaften der Miterlöserin auch selbst durch seelische und körperliche Leiden hindurchgehen muss. Diese Leiden und jahrelanges Schweigen, Warten und Gehorchen sind ihr Beitrag als Samenkorn, das in die Erde fällt und stirbt, damit jetzt die Frucht aufgehen kann.
Als Mutter Ida 90jährig starb, wollte Msgr. Bomers in seiner Wertschätzung für die menschliche Größe der Seherin selbst die Begräbnisfeierlichkeiten leiten. Inmitten aller Klugheit, hatte er sich der Seherin gegenüber immer als Hirte erwiesen.
DIE ECHTHEIT DER BOTSCHAFTEN
Ohne dem kirchlichen Urteil vorgreifen zu wollen, möchte ich einige Worte zur Echtheit der Botschaften sagen. Um mit Überzeugung das durchzuführen, was in einer Botschaft gewünscht wird, muss man sicher sein, dass diese von Gott kommt und der Prophet ein Prophet Gottes ist.
Der Herr erwartet von uns keine schwärmerische Leichtgläubigkeit – vielmehr warnt er vor falschen Propheten.
Wenn die Echtheit aber feststeht, müssen wir uns dankbar der Botschaft öffnen, kindlich gehorchen, und alles genau so erfüllen, wie Gott es durch Maria zu verstehen gibt.
In Guadalupe (Mexiko) hatte Maria 1531 als Echtheitsbeweis mitten im Winter spanische Rosen geschenkt. Zudem prägte sie ihr Gnadenbild, das nicht von Menschenhand gemalt wurde, und dessen Farbstoff es auf dieser Welt gar nicht gibt, auf die Tilma des Sehers Juan Diego.
In Lourdes hatte die Immakulata eine heilkräftige Quelle entspringen lassen (25.2.1858) und in Fatima vor 70.000 Augenzeugen ein Sonnenwunder gewirkt (13.10.1917).
Die Gottesmutter geht hier in Amsterdam einen ganz anderen Weg. Sie beweist die Echtheit ihrer Botschaften immer wieder aufs neue, indem sich ihre zahlreichen Voraussagen im Laufe der Jahre erfüllen.
Hier in Amsterdam werden faszinierende Echtheitsbeweise gegeben, wie man sie nur selten in der Geschichte der Marienerscheinungen findet.
Es seien hier nur einige Beispiele erwähnt: Schon 1950 (10.12.1950) schaut Ida den Fall der Berliner Mauer, über die Staatspräsident Honecker noch drei Wochen vorher versichert hatte: “Die Mauer steht noch 100 Jahre.”
Am 11. Februar 1951, als Ida sich in Deutschland aufhielt, wurde sie von der Frau in einer Vision in den Petersdom geführt. Dort sah sie alle Bischöfe der Welt mit weißen Mitren, den Hl. Vater mit der Tiara und einem dicken Buch. Niemand auf der Welt – am wenigsten die Seherin selbst – konnte damals auch nur erahnen, dass sie das Zweite Vatikanische Konzil schaute, das erst elf Jahre später stattfinden wird.
Den wohl stärksten Echtheitsbeweis gibt die Gottesmutter der Seherin in der Nacht vom 18. auf den 19. Februar 1958. Sie kündigt ihr an, dass Anfang Oktober – also in acht Monaten – der zu dieser Zeit noch völlig gesunde Papst Pius XII. sterben wird:
“Höre, dieser Hl. Vater, Papst Pius XII., wird Anfang Oktober dieses Jahres bei den Unseren aufgenommen werden. Die Frau aller Völker, die Miterlöserin, die Mittlerin und Fürsprecherin wird ihn in die ewigen Freuden geleiten.”
Die Gottesmutter hält einen Finger vor die Lippen und sagt: “Du darfst zu niemandem darüber sprechen.” Doch der Seelenführer wünscht, dass Ida den geheimen Inhalt in einem versiegelten Kuvert bei ihm hinterlegt und zu Hause eine Kopie dieser Botschaft aufbewahrt. Ida tut, was der Seelenführer wünscht. Tatsächlich stirbt am 9. Oktober Pius XII. in Castelgandolfo. Mutter Ida fährt sogleich zu ihrem Seelenführer und zeigt ihm die Kopie jener Botschaft, die nun Wirklichkeit geworden ist.
Dieser erschütternde Echtheitsbeweis ist für den Seelenführer um so überzeugender, weil er weiß: Den Todestag eines Menschen bestimmt und kennt nur Gott allein.
Man kann leicht ermessen, welch große Bedeutung die Amsterdamer Botschaften für Kirche und Welt haben müssen, wenn Gott seine Echtheitsbeweise hineinreichen lässt bis in ein Konzil oder bis in das Leben und Sterben eines heiligen Papstes.
DAS GEBET, um den wahren Geist
über die Welt herabzuflehen
Schon in der allerersten Botschaft, am 25. März 1945, spricht die Gottesmutter von ihrem GEBET, als wäre es bereits bekannt: “Das Gebet muss verbreitet werden!” Doch erst sechs Jahre später offenbart sie es, als die Seherin in Deutschland ist.
Allein schon die Tatsache, dass Maria ihr Gebet während der Vision des Zweiten Vatikanischen Konzils diktiert, ist ein klarer Hinweis auf die Bedeutung dieses Gebetes für Kirche und Welt.
Noch bevor die Gottesmutter zu sprechen beginnt, wird Ida vor das Kreuz geführt und in ein schmerzliches Mitleiden hineingenommen.
“Ich stand also mit der FRAU vor dem Kreuz. Sie sagte: “Sprich mir nach.” … Die Hände, die sie immer ausgebreitet hatte, erhob sie nun und faltete sie. Ihr Gesicht wurde so himmlisch, so erhaben, das kann man einfach nicht nacherzählen. Ihre Gestalt wurde noch durchscheinender und so schön. … Und dann begann die FRAU:
“Herr, Jesus Christus, Sohn des Vaters …” Aber wie sie das sagte! Das ging einem durch Mark und Bein. So habe ich dies alles noch keinen Menschen in der Welt sagen gehört. “Sende JETZT Deinen Geist”, mit der Betonung auf JETZT, und “lass den Heiligen Geist wohnen in den Herzen ALLER Völker”, mit einem besonderen Nachdruck auf dem Wort ALLER. Auch das Wort AMEN sprach die FRAU so schön, so feierlich aus. … Als die FRAU “Amen” gesagt hatte, stand alles in großen Lettern vor mir geschrieben.”
Nicht nur bei den kirchlichen Instanzen, sondern selbst bei der Seherin und bei ihrem Seelenführer rufen anfangs die Worte ‘die einst Maria war’ Überraschung und Bedenken hervor. Als man die fraglichen Worte beim ersten Druck ganz einfach weglässt, betont Maria in den folgenden Botschaften, dass sie mit der Änderung des Textes nicht zufrieden ist. “‘Möge die Frau aller Völker, die einst Maria war, unsere Fürsprecherin sein!’ Das soll so bleiben.” (6.04.1952)
Klar, kurz und einfach erklärt die Gottesmutter (schon am 2.07.1951): “Die einst Maria war, bedeutet: Viele Menschen haben Maria als Maria gekannt … Nun aber will ich in diesem neuen Zeitabschnitt, der anbricht, die Frau aller Völker sein, das versteht jeder.”
Versteht ihr? Das gnadenvolle Mädchen Maria war nicht von Anfang an Mutter aller Menschen. Aber durch das treue Mitwirken mit der Gnade und durch das Leiden, vereint mit ihrem Sohn, wurde sie Mutter für alle Völker.
Warum Maria dieses neue Gebet schenkt, erklärt sie selbst: “Es ist dafür gegeben, um den wahren Geist über die Welt herabzuflehen.” (20.09.1951) “Du kannst nicht beurteilen, welch großen Wert dies haben wird. Du weißt nicht, was die Zukunft bringt.” (15.04.1951)
Ihre besondere Bitte gilt dem Hl. Vater, dieses Gebet den Völkern vorzubeten: “Apostel des Herrn Jesus Christus, lehre deine Völker dieses einfache, aber so sinnvolle Gebet.” (10.05.1953)
Maria verspricht sogar: “Auf dieses Gebet hin wird die FRAU die Welt retten.” (10.05.1953) “Ihr wisst nicht, wie mächtig und wie bedeutsam dieses Gebet bei Gott ist. Er wird seine Mutter erhören, weil sie eure Fürsprecherin sein will.” (31.05.1955)
“Sprecht dieses Gebet, bei allem was ihr tut.” (31.12.1951) Wenn möglich sollen wir ihr einfaches Gebet täglich vor dem Kreuz beten – langsam und andächtig, wie Maria es gewünscht hatte.
DAS BILD – die Deutung des neuen Dogmas
Die Amsterdamer Botschaften sind auch deshalb einzigartig in der Geschichte der Marienerscheinung, weil die Gottesmutter selbst detailliert ihr eigenes Gnadenbild beschreibt. “Dieses Bild ist die Deutung und die bildliche Darstellung des neuen Dogmas. Darum habe ich selbst dieses Bildnis den Völkern gegeben.” (8.12.1952)
Tatsächlich zeigt sich Maria hier in dreifacher Weise als die MITERLÖSERIN, denn sie steht vor dem Kreuz ihres Sohnes, von dem das Licht ausgeht und sie durchstrahlt.
Um ihren Schoß ist ein Tuch gebunden, das sie erklärt: “Höre gut, was dies bedeutet. Dies ist wie das LENDENTUCH des Sohnes. Ich stehe ja als die FRAU vor dem KREUZ des Sohnes.” (15.04.1951)
Ihre Hände tragen strahlende Wunden. Damit beschreibt Maria bildlich das körperliche und seelische Leiden, das sie vereint mit ihrem göttlichen Sohn für die Erlösung der Menschheit getragen hat.
Erneut lenkt die FRAU den Blick Idas auf ihre Hände und offenbart sich dadurch als die MITTLERIN ALLER GNADE. “Sieh nun gut nach meinen Händen und berichte, was du siehst.” Nun sieht Ida mitten in den Händen etwas, als ob dort eine WUNDE gewesen sei. Aus den Wunden jeder Hand fallen drei Strahlen, die gleichsam auf die Schafe herabstrahlen. Die FRAU lächelt und sagt: “Dies sind drei Strahlen, die Strahlen von Gnade, Erlösung und Friede.” (31.05.1951) Gnade vom Vater, Erlösung vom Sohn und Friede vom Heiligen Geist.
“Meine Füße habe ich fest auf den Erdball gesetzt, weil der Vater und der Sohn mich in diese Zeit, in diese Welt bringen wollen als Miterlöserin, Mittlerin und Fürsprecherin.” (31.05.1951) “Diese Zeit ist unsere Zeit.” (2.07.1951)
In einem biblischen Symbol lässt Maria die Seherin rund um den Erdball Schafe schauen, welche alle Völker und Rassen der Erde symbolisieren. Und dann sagt sie: “Sie werden nicht eher Ruhe finden, bis sie sich hinlegen und in Ruhe aufblicken zum Kreuz, dem Mittelpunkt der Welt.” (31.05.1951)
Immer wieder lenkt Maria unseren Blick auf das Kreuz, den Mittelpunkt der Welt! Maria bittet uns darum, dieses Bild in der ganzen Welt zu verbreiten, denn “es ist die Deutung und die bildliche Darstellung des neuen Dogmas.” (8.12.1952) Aus diesem Grund betont Maria mehrmals, dass dieses Bild dem Dogma vorausgehen muss. “Dieses Bild soll vorausgehen einem Dogma, einem neuen Dogma.” (15.04.1951)
Als 1966 das Bild für ein Jahr nach Frankreich kommt und die Seherin auch die Erscheinungskapelle bei den Vinzentinerinnen der Rue du Bac besucht, erklärt ihr die Gottesmutter: “Was hier begonnen hat, wurde durch die Frau aller Völker weitergeführt.” (31.05.1969) Wusste der Hl. Vater das, als er einen Vinzentinerprovinzial Henrik Bomers als Bischof nach Haarlem berief?
Ja wirklich: Die Immakulata in der Rue du Bac ist der aufstrahlende Beginn der marianischen Epoche, in der wir jetzt leben.
Amsterdam aber ist die Krönung, oder wie Maria selbst sagt, der “Schlussstein der marianischen Gedanken.” (4.04.1954) Liebe Brüder und Schwestern der Niederlande, wisst ihr überhaupt, welchen Schatz ihr habt?
In einem hell leuchtenden Halbkreis, der sich von einem Ende des Kreuzbalkens bis zum anderen spannt, steht in dunklen Lettern der neue Titel Frau aller Völker. Was ist nun die Bedeutung dieses Titels?
DER TITEL – die Zusammenfassung des neuen Dogmas
Mehr als 150mal verwendet die Gottesmutter diesen neuen Gnadennamen, der ihre tiefste Berufung ausdrückt. “Du kannst sagen: die Frau aller Völker oder Mutter aller Völker.” (11.02.1951)
Wenn man die Botschaften aufmerksam liest, fällt auf, dass der neue Titel eigentlich die Zusammenfassung des dreifachen Dogmas ist. Um das zu zeigen, muss man die Hl. Schrift öffnen. Denn dort wird Maria an vier Stellen als die FRAU angesprochen, und zwar in jenen Situationen in denen es um ihre universale Mutterberufung geht.
1. Bereits auf den ersten Seiten der Hl. Schrift, im Buch Genesis, wird Maria als jene FRAU bezeichnet, die vereint mit ihrem Sohn der Schlange den Kopf zertritt. Zu Satan, der Eva und Adam zum Stolz und zum Ungehorsam verleitet hatte, sagte Gott: “Feindschaft setze ich zwischen dich und die FRAU, zwischen deinen Nachwuchs und ihren Nachwuchs.” (Gen 3,15)
2. Auf der Hochzeit zu Kana, spricht Jesus seine Mutter zum ersten Mal als FRAU an, um sie dadurch an ihre Berufung zu erinnern, Frau aller Völker zu werden. Als Mittlerin und Fürsprecherin erfleht sie das Wunder.
3. Auf Kalvaria wendet sich der sterbende Erlöser mit letzter Kraft an seine Mutter, um ihr – als persönliches Testament – nur vier entscheidende Wort zu sagen: “FRAU, siehe, dein Sohn!” Mit diesen göttlichen Worten wird Maria als Miterlöserin zur Frau aller Völker gemacht.
Das bestätigt die Botschaft vom 6. April 1952: “Die FRAU wurde sie beim Kreuzesopfer, die Miterlöserin und Mittlerin. … Beim Kreuzesopfer verkündete der Sohn diesen Titel der ganzen Welt.”
4. Die letzte der vier Schriftstellen finden wir in der Geheimen Offenbarung. Dort am Höhepunkt der Heilsgeschichte, erscheint wiederum die FRAU, mit der Sonne bekleidet. Sie liegt schmerzerfüllt in Wehen für die Neugeburt der Menschheit (vgl. Offb 12,1 ff). Da erscheint ein Drache, groß und feuerrot, er verfolgt die FRAU, die einen Sohn geboren hat.
Die in der Genesis verheißen FRAU, die vereint mit ihrem Sohn der Schlange den Kopf zertritt, die FRAU von Kana,
die FRAU von Kalvaria und
die FRAU der Apokalypse
ist die Frau aller Völker, weil sie vereint mit dem Erlöser für alle Völker gelitten hat, allen Völkern das Gnadenleben vermittelt und für alle Völker fürbittet.
Hört jetzt liebe Freunde, eine der schönsten Verheißungen, die Maria hier in Amsterdam ausspricht: “Unter diesem Titel werde ich die Welt retten. Unter diesem Titel … werde ich sie von einer großen Weltkatastrophe erlösen!” (20.03.1953/10.05.1953)
Dieser Titel Mutter und Frau aller Völker drückt also in einzigartiger Weise die weltumspannende Berufung Mariens für alle Völker aus, für alle Kontinente, für alle Rassen und für alle Menschen aller Religionsbekenntnisse – denn sie ist wahrhaft die Mutter aller Menschen.
Sie liebt all ihre Kinder, ob sie es wollen oder nicht!
Sie liebt all ihre Kinder, ob sie es wissen oder nicht!
Deshalb wird das Heiligtum der Frau aller Völker immer mehr zu einem Ort tiefer Völkerverständigung, wahrer Ökumene und Einheit im Heiligen Geist werden.
DAS RETTUNGSBRINGENDE DOGMA
Maria bittet hier in Amsterdam ausdrücklich um ein Dogma. Das ist einzigartig. An keinem anderen Erscheinungsort der Welt hatte sie jemals so etwas gewünscht. Es wird das letzte und größte Dogma der marianischen Geschichte sein: Maria Miterlöserin, Mittlerin und Fürsprecherin.
Ich denke, kein Theologe hätte je die Idee gehabt, diese drei Titel in einem einzigen Dogma zusammenzufassen. Nur Maria als himmlische Theologin und als Mutter der Weisheit konnte dies tun.
Was ist das nun, ein Dogma? Wenn der Papst feierlich ein Dogma verkündet bedeutet das: Diese verkündete Wahrheit ist nicht von Menschen erdacht, sondern von Gott geoffenbart. Deshalb ist ein Dogma, an das man lebendig glaubt, auch eine unbeschreiblich starke Waffe im Kampf gegen Satan, den Vater der Lüge.
Satan weiß, dass er durch Maria und ihre Kinder besiegt wird. Deshalb hat er in diesem Jahrhundert wie niemals zuvor eine erbarmungslose Schlacht begonnen gegen Maria und ihre Kinder.
Wenn Johannes Paul II. von unserem Jahrhundert vom ‘Jahrhundert des Todes’ spricht, so muss man ihm leider recht geben: Noch nie in der Menschheitsgeschichte gab es so viele Kriege, Leiden, Not und Tod.
Dieses Bild zeigt eine Kirche in Ruanda voll von Leichen – Tausende Märtyrer des Glaubens – eine Million Tote allein in einem Monat. Maria hatte in den Erscheinungen von Kibeho in Ruanda zur Bekehrung aufgerufen. Aber wir wollten nicht hören.
Hier sehen wir Bosnien-Herzegowina: Hatte nicht die Königin des Friedens zehn Jahre lang gewarnt, als noch niemand einen Krieg ahnte? Ein Vietnam-Veteran und Offizier der UNO-Friedenstruppe sagte: „Der Vietnamkrieg war ein Kinderspiel im Vergleich zu dem, was an satanischen Grausamkeiten hier geschah.“
„So einen Zeitabschnitt hat die Welt in den Jahrhunderten noch nicht erlebt. Solch einen Glaubensverfall!“ (28.03.1951) „Die ganze Welt ist im Verfall.” (4.03.1951) “Der Feind unseres Herrn Jesus Christus hat langsam aber sicher gearbeitet. Die Posten sind aufgestellt. Mit seiner Arbeit ist er beinahe fertig.” (8.12.1952)
“Die ganze Welt ist in Verfall, und darum sendet der Sohn die Frau aller Völker.” (4.03.1951)
Diese Mutter und Frau aller Völker hatte uns feierlich versprochen: “Unter diesem Titel werde ich die Welt retten.” (20.03.1953), “unter diesem Titel und durch dieses Gebet werde ich die Welt vor einer großen Weltkatastrophe erlösen.” (10.05.1953)
Aber wie macht sie das? “Wenn das Dogma, das letzte Dogma in der marianischen Geschichte ausgesprochen ist, dann wird die Frau aller Völker den Frieden, den wahren Frieden der Welt schenken. Die Völker müssen mein Gebet beten mit der Kirche!” (31.05.1954)
Seht ihr, nur durch die Amsterdamer Botschaften kann man zeigen, welch gnadenhafte und machtvolle Auswirkung diese Krönung Mariens haben wird, und dass die Zeit drängt. Maria verspricht, dass über die Kirche und Welt in neuer Weise der Heilige Geist ausgegossen wird.
Aber wie kann ein marianisches Dogma ein ‘neues Pfingsten’ bewirken?
Durch die feierliche Verkündigung des größten marianischen Dogmas nimmt die Kirche Maria in ihre Mitte, in ihr Herz – wie damals im Abendmahlsaal in Jerusalem. Und was geschah, als die Apostel die Miterlöserin, Mittlerin und Fürsprecherin in ihre Mitte nahmen? Es kam über die Urkirche in Feuerzungen der Heilige Geist.
“Und die FRAU blieb bei ihren Aposteln, bis der Geist kam. So darf die FRAU auch zu ihren Aposteln und Völkern der ganzen Welt kommen, um ihnen den Heiligen Geist wieder aufs Neue zu bringen.” (31.05.1954)
DER SCHLÜSSEL FÜR DEN TRIUMPH MARIENS
Dieses marianische Dogma ist der Schlüssel für das Tor, durch das wir hineintreten in eine neue Zeit, in eine neue Epoche, in die Epoche des Heiligen Geistes.
Wenn diese Krönung Mariens geschehen ist, hat Satan ein für allemal verloren. Diese Niederlage Satans schaute Ida in dramatischen Bildern: “Ich sah den Drachen sich zusammenkrümmen, dann erschlafft und erschöpft zusammenfallen und niederstürzen. Die Stimme sagte: “Deine Macht ist gebrochen und deine Kraft hat abgenommen. Dein Hochmut und dein Stolz werden zertreten.” (11.02.1975) “Das alles wird geschehen.” (25.03.1975)
Wer denkt da nicht an die Vision des hl. Don Bosco? Er sieht, wie der Papst als Steuermann nach schwerem Kampf das Schiff der Kirche an zwei Säulen festmacht: an der Säule der Gottesmutter und an der Säule der Eucharistie. Scheint es nach allem, was wir gehört haben, nicht einsichtig, dass diese Ankettung an der Mariensäule durch das Dogma geschehen wird?
“Am Ende wird mein Herz triumphieren!”, so hatte es Maria in Fatima gesagt. Ich bin überzeugt, dass dieser Triumph Mariens sich nur durch die Verkündigung des wichtigsten und größten marianischen Dogmas verwirklichen wird.
Und die Säule der Eucharistie? Was hat die Hl. Eucharistie mit Amsterdam zu tun? Sehr viel! Maria sagt am 20. März 1953, dass sie Amsterdam deshalb erwählt hat, weil es die Stadt des Mirakels ist, die Stadt des Eucharistischen Wunders, das sich vor 600 Jahren ereignete.
Liebe Holländer, wisst Ihr, was auf diesem Bild zu sehen ist? Am 23. Juli 1946 feierten 50.000 Holländer das 600jährige Jubiläum des Amsterdam-Mirakels. Wir könnten zur Ehre Gottes, mit der Hilfe der Frau aller Völker und mit Eurem Einsatz am 31. Mai nächsten Jahres, am Pfingstsonntag, einen solchen Gebetstag veranstalten.
Zudem steht die Hl. Eucharistie bei der Frau aller Völker so sehr im Mittelpunkt, dass parallel zu den Botschaften ab dem Jahre 1958 die sogenannten Eucharistischen Erlebnissen beginnen. Darüber aber nächstes Jahr!
EIN GEISTIGER KAMPF
Allen, die in den Bewegungen ‘Vox Populi Mariae Mediatrici’ und ‘Vox Populi Dei’ durch ihre Unterschrift den Hl. Vater um dieses Dogma gebeten haben, sei nochmals herzlich gedankt. Zu ihnen zählen bereits vier Millionen Gläubige, 470 Bischöfe von allen Kontinenten und schon über 40 Kardinäle.
Aber es gibt auch viele, die dagegen sind. Liebe Freunde, das sollt Ihr wissen: Es gibt einflussreiche Kardinäle, nicht wenige Bischöfe, Priester, Theologen, viele Brüder und Schwestern im Glauben, die – menschlich gesehen – aus guten und einsichtigen Gründen nicht für ein neues marianisches Dogma sind. Ihre Überzeugung müssen wir mit Liebe respektieren.
Ob es theologisch richtig ist, Maria Miterlöserin zu nennen, darüber werden die Professoren weiterhin studieren und diskutieren. Um aber zeigen zu können, welch gnadhafte und machtvolle Auswirkung dieses marianische Dogma für Kirche und Welt haben wird, dazu braucht man die Amsterdamer Botschaften.
Ebenso kann man nur durch die Worte der Frau aller Völker begründen, dass die Zeit drängt und Gott dieses Dogma jetzt wünscht. Lasst uns alles tun, was in unseren Möglichkeiten liegt, damit der Hl. Vater möglichst bald diese rettungsbringende Wahrheit feierlich verkünden kann.
Aber Ihr spürt selbst mehr und mehr, dass Eure Unterschrift für das Dogma nicht genügen kann. Die eigentliche Kraft liegt ja darin, dass Ihr mutig und mit Feuereifer mitwirkt am Plan der Liebe, den Maria “Erlösungs- und Friedenswerk” (vgl. 1.04.1951) oder auch “die Weltaktion” (vgl.11.10.1953) nennt.
Bei diesem Erlösungs- und Friedenswerk könnt Ihr alle mitwirken, denn es ist eine weltumspannende Aktion, die vor allem von den Kleinen und Schwachen getragen wird.
DIE WELTAKTION DURCH DAS GEBET UND
DAS BILD DER FRAU ALLER VÖLKER
Was ist das? Diese Aktion ist ganz einfach und für jeden durchführbar: Bringt dieses Gebetsbildchen oder das Poster mit dem Gebet in Eure Familien, zu Freunden und Bekannten, zu Arbeitskollegen oder in Gebetsgruppen, in Gefängnisse, Altersheime oder Krankenhäuser, denn dort leiden jene, von deren Gebet am meisten Kraft ausgehen wird.
Die Gottesmutter ermutigt die Seherin: “Hast du Angst? Ich helfe doch. Du wirst merken, die Verbreitung erfolgt wie von selbst.” (15.04.1951) “Maria übernimmt die volle Verantwortung dafür.” (4.04.1954)
Ida durfte bereits vor vielen Jahren die Auswirkung der Aktion schauen: “So wie die Schneeflocken über die Welt hintreiben und als eine dicke Schicht auf den Boden niederfallen, so wird das Gebet mit dem Bild sich über die Welt verbreiten und in die Herzen aller Völker eindringen.” (1.04.1951)
Mutter Ida war jahrzehntelang damit beschäftigt, Gebetsbildchen und Botschaften, die mit kirchlicher Druckerlaubnis erschienen waren, weltweit an alle zu versenden, die sie darum baten.
Ein nettes Beispiel über die auffallend rasche Verbreitung des Gebetsbildchens erzählt der niederländische Priester Dr. J. Sanders. Als er sich vor 30 Jahren im Rahmen seiner sprachwissenschaftlichen Studien im islamischen Irak aufhielt, wurde ihm eines Tages ein Bild der Frau aller Völker mit ihrem Gebet unter seine Zimmertüre durchgeschoben: “Ich war sprachlos”, sagte der niederländische Gelehrte.
Zu jenen, die ein Wunder sehen wollen, bevor sie noch für Maria arbeiten, sagt sie: “Wohlan denn …: Geht mit einem großen Feuereifer an dieses Erlösungs- und Friedenswerk, und ihr werdet das Wunder sehen.” (1.04.1951)
Wie die Apostel bei der Brotvermehrung, brauchen auch wir die Gaben Gottes nur auszuteilen. Die Wunder wirkt dann ER. Und Maria weiß die Herzen ihrer Kinder zu berühren.
Versteht Ihr nun, auf welch gnadenvollen Wegen die Mutter aller Völker sich selbst ihr letztes und größtes Dogma vorbereitet? Die von Gott gewollte Aktion ist in diesem jetzigen schweren geistigen Kampf die friedvolle Wegbereitung und unmittelbare Hinführung auf das Dogma.
Es ist gar nicht auszudenken, welche Explosion an Gnade sich ereignen würde, wenn alle vier Millionen, die ihre Unterschrift gegeben haben, auch das Gnadenbild der Frau aller Völker verehren und mit viel Liebe ihr Gebet beten würden, die Ordensleute in ihren Klöstern, die Priester in ihren Pfarreien, die Bischöfe in ihren Diözesen. Lasst uns jetzt dafür arbeiten. Dann werden wir nächstes Jahr, im Jahr des Heiligen Geistes, in dem der 31. Mai auf den Pfingstsonntag fällt, ein herrliches Pfingsten erleben.
Ich bin überzeugt, dass eine Zeit kommen wird, in der sich die Christen ebenso freuen, Pfingsten in Amsterdam zu feiern, wie man heute mit großer Freude für das Osterfest nach Rom pilgert.
Ich danke Euch, liebe Freunde, für Euer aufmerksames Zuhören.
Van 1844 tot 1905 heeft er in Engeland een ongemeen deugdzame en door God bijzonder bevoorrechte vrouw geleefd, Teresa Helena Higginson, een eenvoudige onderwijzeres aan armenscholen. Zodanig waren haar deugd en haar vroomheid, zo opvallend de buitengewone verschijnselen in haar leven, dat al spoedig na haar dood door de kerkelijke overheid er een officieel onderzoek naar werd ingesteld.
Zaligverklaring
Het gevolg hiervan is geweest, dat het proces van haar zaligverklaring in Rome aanhangig werd gemaakt. En een verzoekschrift daartoe met meer dan 100.000 handtekeningen werd naar de congregatie in Rome opgestuurd. Wekelijks wordt ook in de kathedraal van Liverpool, die lang haar parochiekerk was, een heilige Mis opgedragen, om deze zaligverklaring te verkrijgen.
Haar bijzondere roeping
Is een mens door God bevoorrecht, dan heeft hij een aparte roeping te vervullen. Zo was ook deze uitverkoren vrouw door de Zaligmaker geroepen om aan de wereld zijn wens bekend te maken, dat zijn Heilig Hoofd zou worden vereerd als zetel van zijn goddelijke wijsheid. En tot haar dood toe heeft Hij haar niet meer met rust gelaten. Gedurig herinnerde Hij haar aan zijn onlesbaar verlangen, dat aan deze wens toch zou voldaan worden. Hij bedelde als het ware bij haar, dat ze er haar uiterste best voor zou doen.
Ze voelde zich ongeschikt voor die taak en verzocht Jezus herhaaldelijk een ander daartoe uit te kiezen. Ze was ook ongeschikt! Maar God zoekt juist voor zijn werk onbruikbare werktuigen om duidelijk te doen uitkomen, dat wat die mensen verkondigen, niet door hen zelf kan zijn verzonnen, maar van goddelijke oorsprong moet wezen.
De devotie en haar verspreiding
Teresa Helena heeft haar taak volbracht. De devotie heeft ze bekend gemaakt. Maar voor de verspreiding is het nu de tijd.
Weer een nieuwe devotie, zal menigeen denken, er zijn er al zo vele!
ln wezen is de devotie voor Jezus’ Heilig Hoofd niet nieuw. Al in de stal van Betlehem hebben Maria en Jozef er vol bewondering naar gekeken en er de oneindige Godheid in aanbeden. Het Heilig Hoofd is bij uitstek een bron van zegeningen geweest. Door de liefde die uit Jezus’ ogen sprak, door het aanhoren van alle klachten, door de goedheid en wijsheid van zijn mond. Op zijn aanschijn lag zijn majesteit, stond een indruk van zijn godheid te lezen. Aan Veronica gaf Hij zelf uit dankbaarheid een afbeelding van zijn gelaat. Met een nieuw wonder bewaarde Hij ook zelf de trekken van zijn Heilig Aanschijn in het lijnwaad, waarin Hij begraven was. En openlijk wordt de lijkwade in de kerk vereerd, terwijl ontelbare reproducties ervan over heel de wereld verspreid zijn. ln hoeveel kerken vindt men niet een of andere voorstelling van het Heilig Hoofd? De devotie van het Heilig Aanschijn is natuurlijk een devotie van het Heilig Hoofd. En om die te verspreiden heeft Christus zich aan de heilige Karmelietes van Tours, Marie de St. Pierre, bediend. En met dit doel zijn ook de talloze wonderen in het huis van de “heilige man van Tours”, M. Dupont, gebeurd. Hieruit is voortgekomen de aartsbroederschap van het Heilig Aanschijn, over heel de wereld verspreid. En van dat Heilig Aanschijn ziet men dan ook bijna in alle kerken van Frankrijk een afbeelding hangen, terwijl er meerdere openbare kapellen aan zijn toegewijd. Belangstelling voor Jezus’ Heilig Hoofd is dus niet als iets nieuws te beschouwen.
Evenmin zal men het iets ongehoords kunnen noemen, dat we aan Jezus’ goddelijke wijsheid worden herinnerd. Dat heeft de Verlosser, teneinde zijn zending te vervullen, zelf al herhaaldelijk gedaan: Hij noemde zich het “Licht van de wereld”, Hij zond zijn apostelen uit om overal zijn opvattingen te gaan verkondigen en vorderde van heel de mensheid uit alle eeuwen, dat men naar de apostelen zou luisteren. Onze goede Herder is Hij door zijn wijsheid; door zijn wijsheid ook is Hij de enige Koning, in staat de wereld te besturen. Evangelieverkondiging of godsdienstonderricht is niet denkbaar zonder dat de volle nadruk wordt gelegd op Jezus’ wijsheid, in tegenstelling met die van anderen. Wie zich door Jezus laat leiden gaat veilig in elk opzicht. Wie dit niet doet, loopt verloren. Heel de wereld geeft er in onze dagen een overtuigend bewijs van! Een gewichtige waarschuwing ligt er uitgedrukt in de toewijding van de beroemde hoofdkerk te Constantinopel aan de goddelijke wijsheid.
Geen christenmens die niet van zijn jeugd af vertrouwd is met de gedachte, dat hij zich op de wijsheid van de God-Mens kan verlaten en die moet volgen.
Nieuw is in deze devotie alleen, dat hierbij het Heilig Hoofd van de Zaligmaker niet wordt beschouwd op zichzelf (zoals we zijn handen en voeten vereren) maar vooral als centrum, als zetel van zijn wijsheid, terwijl we bij de devotie van het Heilig Aanschijn vooral worden herinnerd aan de vernederingen, door de Verlosser daarin ondergaan.
Een devotie voor deze tijd
Waarom zou Christus in onze dagen deze devotie zo aanprijzen?
Het is duidelijk. Heel de wereld is in de grootste wanorde geraakt en geen menselijke machten, ook geen Verenigde Naties, zijn in staat dit te verhelpen. En heel die wanorde is ontstaan doordat men is afgeweken van Jezus’ wijsheid en het gezag van zijn Kerk niet meer telt. Er is slechts één middel om tot een oplossing van de grote moeilijkheden te komen: terugkeer tot Christus en zijn Kerk. Zolang het Licht van de wereld niet wordt erkend en benut, blijft men in het duister tasten.
Toen de devotie van het Heilig Hart door Christus werd gevraagd, was de wereld tengevolge van protestantisme en jansenisme verkoeld, maar het geloof had men toch niet geheel verloren. Men wist nog wel vanwaar heil was te verwachten. Nu is dat anders. De wereld is zonder geloof en zonder uitzicht; men weet niet naar welke kant te kijken.
De christenen moeten weer leren, niet op menselijke uitvindselen, maar op Jezus’ wijsheid te steunen, en hun voorbeeld moet anderen de weg wijzen. Bij Hem alleen is hulp te vinden! En Hij verlangt ons te helpen. Daarom dringt Hij er zo op aan, dat we in zijn wijsheid vertrouwen zullen stellen en denken aan zijn Heilig Hoofd.
Voor zijn Heilig Hoofd als zetel van zijn wijsheid wenst Hij ook een openbare cultus van heel de Kerk. Zelf stelde Hij de dag al vast, waarop het feest ervan moest gevierd worden: de octaafdag namelijk van het Heilig Hartfeest.
En Hij deed de belofte: “Ieder die zal meehelpen, om deze devotie te verspreiden, zal duizendvoudig gezegend worden. Wee echter degene, die ze verwerpt of die in dit opzicht mijn verlangen tegenwerkt.”
Meer nog! De stellige verzekering gaf de Zaligmaker aan Teresa Helena Higginson, dat aan zijn verlangen in werkelijkheid zou voldaan worden. De devotie zal worden ingevoerd!
Het begin ervan is al zichtbaar. De bisschoppen van Engeland en Ierland hebben ze erkend; ook in andere landen breidt ze zich al meer en meer uit. De kerk te Bootle is al – overeenkomstig de aanwijzing van Christus – de hoofdzetel. Twee kloosters werden reeds in Engeland aan Jezus’ Heilig Hoofd als zetel van zijn goddelijke wijsheid toegewijd, één in Frankrijk; andere zullen volgen. Laten we dus, zoveel als in ons vermogen ligt, meehelpen deze devotie te verspreiden.
Anna Catharina Emmerick werd op 8 september 1774 in het bisdom Münster in de boerengemeente Flamschen bij Dülmen (Duitsland) geboren. Anna was de dochter van Bernard Emmerick en Anna Hillers, arme en vrome boeren, en werd geboren als vijfde van negen kinderen in dit gezin. Van kinds af aan had zij visioenen, bijna voortdurend. Bij haar doop zag zij al hoe haar patronessen, de Heilige Anna en de Heilige Catharina, zich zegenend over haar bogen en ook het kindje Jezus was erbij en liet haar een bruidsring zien. Verder had zij contact met haar beschermengel, die altijd bij haar was om haar te begeleiden en te beschermen. Ze kon haar beschermengel ook bovenzinnelijk waarnemen en deze ook vragen stellen in haar kinderlijke onschuld. Dit contact is gebleven tot aan haar dood op 9 februari 1824. Ze kon ook Maria waarnemen en allerlei Heiligen. Bovendien kon zij geestelijke gesprekken met hen voeren. Toen ze over deze belevenissen in haar naaste omgeving begon te spreken, kwam ze er langzamerhand achter, dat niet alle mensen begrip hadden voor deze ervaringen; ze werd zwijgzaam.
Zij was een tijdje hoedster van koeien. Zo in de natuur, samen met de dieren, leerde Anna de werking van giftige en geneeskrachtige kruiden en planten. Ze had een hard leven als arme boerendochter, maar koos ook zelf voor de eenvoud, waardoor haar leven er niet gemakkelijker op werd. Toen ze 16 jaar oud was, ontwaakte in haar het verlangen om het klooster in te gaan. Maar ze was te arm en moest nog twaalf jaar wachten op haar intreding. Ze sprak zelden en was erg in zichzelf teruggetrokken, maar toonde ook invoelingsvermogen voor het leed van anderen en vroeg dikwijls aan God dat op haar te leggen. Ook was zij opvliegend en koppig. Zij had een zwakke, ziekelijke gezondheid. Door de beenderen van overleden heiligen aan te raken, kreeg zij allerlei informatie, en zij had een innig contact met overleden zielen in het vagevuur. In 1798, toen ze 24 jaar oud was, had zij een cruciale ervaring. Terwijl ze in een kerk voor een kruis in gebed was, zag ze vanuit het tabernakel Christus als een lichtende jongeling voor haar verschijnen. In Zijn linkerhand had Hij een bloemenkrans en in Zijn rechterhand een doornenkroon. Ze kreeg de keus en koos uiteindelijk voor de doornenkroon. Weer tot zichzelf gekomen, had ze hevige pijn rondom haar hoofd. Bloedvlekken aan haar hoofd, die later begonnen op te treden, moest ze maskeren door het dragen van een hoofdband.
Na op 13 november 1802 als novice aangenomen te zijn, trad Anna op 18 december 1802 in, in het klooster Agnetenberg van de Augustinessen te Dülmen. In de enge gemeenschap van het klooster kon het niet uitblijven dat men iets van haar lot en omstandigheden vernam. Door enkele medezusters werd ze achter haar rug om bespot, uit jaloezie en hoogmoed. Omdat ze helderziend, zowel voelend als horend was, kon Anna deze roddel toch vernemen en beleefde dat als scherpe pijlen, die op haar gericht waren. Hoewel ze daar uiterlijk niets van liet merken, voelden de medezusters haar medelijden, wat ze als antwoord op hun daden ontvingen, en kregen daar een zeer onbehaaglijk gevoel bij. Al enkele dagen na haar intrede werd ze erg ziek met pijngevoelens in de hartstreek. Deze pijn verliet haar het hele leven niet meer. In 1812 tijdens een extase ontstaat er op die plaats van het hart ter hoogte van het borstbeen een kruis. Ze werd veel ziek in het klooster. Maar de bron van dat lijden lag niet zozeer in haar eigen constitutie maar meer daarin, dat ze plaatsvervangend kon lijden voor andere mensen, die zich daar in de regel niet van bewust waren. In feite nam ze andermans lijden op zich.
Later, tijdens een gebed waarin ze geconcentreerd was op het lijden van Christus aan het kruis, kreeg ze brandende pijn aan handen en voeten. Op 29 december 1811, om 3 uur in de namiddag, verscheen haar de gekruisigde Heer Jezus, met stralende wonden die als vurige pijlen haar handen, voeten en zijde troffen, welke begonnen te bloeden. Van toen af werd zij bedlegerig en had geen behoefte meer aan spijs, drank en andere benodigdheden. Niet langer als drie maanden was het mogelijk deze toestand verborgen te houden, want elke vrijdag bloedden de stigmata. De stigmata van de doornenkroon, welke zij veel vroeger, doch onbloedig, had gekregen, begonnen nu eveneens te bloeden. Zo had ze gedurende langere perioden in haar leven aan vijf plaatsen de wondtekenen of stigmata ervaren: hoofd, hart/ rechterzijde, de beide handen en tenslotte de voeten, die als één wond tellen omdat daar bij de kruisiging één spijker doorheen ging. Anna Catharina droeg gedurende 12 jaren de wonden van Christus. Tot 1813 bleven deze verschijnselen voor de buitenwereld verborgen. Maar het klooster werd in 1812 opgeheven. Samen met een oude bevriende priester ging ze wonen bij een arme weduwe in Dülmen, ieder in aparte kamers. Daar kwam ze in een mensengemeenschap terecht die sterk met haar lot verbonden bleek te zijn, zowel in positieve en negatieve zin. Er waren bijvoorbeeld Jezuïeten die invloed op haar uit wilden oefenen.
Anna wilde zekerheid hebben, dat haar visioenen, om niet verloren te gaan, zouden worden opgetekend. Hiertoe kwam op donderdag 24 september 1818 Clemens Brentano, de gevierde dichter en schrijver, van huize uit katholiek, bij haar op bezoek. Direct herkende zij de persoon, die haar beloofd was als vrucht van haar gebeden. Zij vertelde hem: “Ik kende je al, voor je bij me kwam, daarom moest ik, toen je de eerste keer mijn kamer binnenkwam, denken: Ach, daar is hij dan”. Brentano werd diep getroffen door haar persoonlijkheid en kwam vijf jaren lang dagelijks aan haar ziekbed om haar visioenen op te schrijven. Hij, die verwend was door het salonleven van Berlijn, kwam zich daarvoor begraven in het boerenstadje Dülmen. Altijd liet hij zijn aantekeningen goedkeuren door Anna Katharina om ze zo nodig te laten verbeteren. Zij zag het geschrevene schitterend van het licht en wist zo, dat alles waar was. Brentano schreef deze voor haar op in het boek “Het Droevige Lijden van Onze Heer Jezus Christus”, dat verscheen in 1833, ruim 10 jaar na de dood van Anna Catharina Emmerick.
Iemand, zoals Anna Catharina Emmerick, was in staat het nabije en verre verleden te verklaren met nauwkeurige beschrijving van personen, plaatsen en gebeurtenissen, dit alles gepaard aan een verstandelijk buitengewone geloofsvisie, jaren later bevestigd door ontdekking van documenten, opzoekingen, wetenschappelijke studies, expedities en ook bijbelexegese en theologie. Door één van de visoenen van Anna werd het woonhuis van de heilige Maagd Maria en de apostel Johannes op een heuvel in de nabijheid van het Turkse Efese ontdekt. Sindsdien is die plek een belangrijk bedevaartsoord voor zowel christenen als moslims. Zij heeft verder rond 1800 nogal wat persoonlijke “openbaringen” gekregen over de lijdensweg van Jezus. Zij “zag” de laatste dagen van Christus aan haar voorbijtrekken. De film “The Passion Of The Christ” van regisseur Mel Gibson, is bijna letterlijk gebaseerd op een boek van een Anna Catharina.
Bij Anna is alles eenvoudig en ongekunsteld. Men heeft de indruk dat het onmogelijk is op zo’n manier te vertellen zonder het zelf gezien en beleefd te hebben. Anna Catharina Emmerick zelf zei over haar vele eigen visioenen: “Nooit heb ik de visioenen zo geloofd als de leer van de catechismus; niet de visioenen, maar alleen de geloofsleer van onze godsdienst is de leiding geweest van mijn geestelijk leven.” Je kunt je verbazen over de gedetailleerdheid van haar helderziendheid als het bijv. over fysieke feiten gaat. Tot in de finesses beschrijft ze het interieur van het Coenaculum (de plaats van het Laatste Avondmaal en Pinksteren), de vorm van het kruis en de houtsoorten waaruit deze vervaardigd is. Zelfs de klinknagels worden uitgebreid beschreven. Niet alleen fysiek waarneembare feiten komen aan de orde. Het is aandoenlijk om te lezen hoe Anna de gemoedstoestand van Maria Magdalena weet te beschrijven, zoals deze met haar haren de voeten van Christus afdroogt. Er is zowel een kerkelijk als een staatsonderzoek geweest tijdens het leven van Anna Catharina. Men heeft niets kunnen ontdekken, dat strijdig is met het geloof.
Voorspelling A C Emmerick:
Het grote verval van de katholieke geestelijken en hun overgave aan de wereldse wellust. Slechts enkelen blijven God trouw. Tevens voorspelde ze de opkomst van de protestantse kerk.
Visioenen A C Emmerick:
Ik zag het neerstorten van de gevallen engelen, de schepping van de aarde en het Paradijs, van Adam en Eva en de zondeval. Deze visioenen heb ik gehad zowel bij nacht als bij klaarlichte dag, in het veld, thuis, werkend, onder allerlei bezigheden. Vóór de zonde waren Adam en Eva heel anders gemaakt dan wij, ellendige mensen, nu zijn. Vroeger waren zij één met God, verenigd met God. Zij waren, door God, de heer van de natuur. De mens was geschapen om het getal der gevallen engelen aan te vullen. De eerste mens was als een evenbeeld van God, het was als de hemel. Alles was het eens met hem, en in hem; zijn vorm was de afdruk van de goddelijke vorm. Hij zou de aarde en de schepselen bezitten en genieten en God danken. De eerste mensen waren dus “als engelen”, maar zij hadden een tastbaar, stralend lichaam. Dit lichaam was echter onsterfelijk en het moest zich niet voeden om te overleven;
Ik zag Jozef in Egypte, de uittocht van het Joodse volk, de profeten Eliah en Maleachi. En dit is nu het wonderbaarlijke: haar visioenen zijn volledig in harmonie met de Bijbel, er is geen enkele valse noot te vinden. Welk een verschil met de vele moderne schriftgeleerden en exegeten en wat ze ons voorschotelen! Hun verklaringen laten dikwijls weinig plaats voor het bovennatuurlijke;
Ik zag boven de zwaar gedecimeerde Kerk een majestueuze Vrouw met een hemelsblauwe mantel, die zich tot in de verte uitstrekte en met een kroon van sterren op Haar hoofd. Van Haar ging het Licht uit en drong steeds verder door in de sombere duisternis en daar waar dit licht doordrong, raakte alles vernieuwd en kwam in bloei ….
Op 9 februari 1824 stierf Anna Katharina Emmerick in Dülmen op 49-jarige leeftijd. Zij werd begraven op de begraafplaats achter de Heilige Kruiskerk in Dülmen. Omdat ongeveer 50.000 pelgrims tussen 1877 en 1910 steeds zand van het graf hadden meegenomen liet een Poolse gravin een smeedijzeren hek rond het graf van Anna Catharina aanbrengen. In 1891, 67 jaar na haar dood, werd een onderzoek in werking gesteld ter voorbereiding van haar zaligverklaring. Dit proces werd echter in 1927 stopgezet, omdat men meer tijd nodig had om de echtheid van de teksten, die Brentano had opgeschreven, te onderzoeken. In 1973 werd er echter een wonder aan haar toegeschreven. Een kloosterzuster, die aan zware strottenhoofd- en longtuberculose leed, had de voorspraak van Anna ingeroepen en werd op onverklaarbare wijze genezen. Het Vaticaan heeft dit wonder erkend, waardoor de weg weer vrij kwam voor haar zaligverklaring. In verband hier mee werd haar proces tot zaligverklaring in 1973 weer heropend. In 1975 werden haar stoffelijke resten opgegraven en bijgezet in een grafkelder in de Heilige Kruiskerk in Dülmen. De procedure voor haar zaligverklaring werd in 2004 afgesloten. Op 3 oktober 2004 is zij door paus Johannes-Paulus II in Rome zaligverklaard. Bisschop Reinhard Lettmann zegt dat de zaligverklaring van de “mystica van het Münsterland” zijn bisdom “vervult met grote vreugde en diepe dankbaarheid.”
Er is een boek uitgebracht over haar visioenen en haar leven “Het leven van Anna Katharina Emmerick” door Carl E. Schmoeger, gepubliceerd in 1870 en later herdrukt in 1968 door Maria Regina Guild, LA Calf. Wilt u de herdenkingsplaats van Anna Catharina Emmerick bezoeken, dan is dat mogelijk in de parochie: “Maria Koningin”, Anna-Katharina-Emmerick-Straße 28 in Dülmen, echter alleen op afspraak bij het parochieburo onder nummer: 0049 -2594/9510. Het graf is in de Heilige Kruiskerk, Kreuzkirche 10 in Dülmen, en is van 8 tot 18 uur vanaf de kant van de toren toegankelijk.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.